Nederlandse Genealogische Vereniging
Wie op zoek gaat naar voorouders kan best wat hulp gebruiken...
Van de NGV bijvoorbeeld!

Interessegroep Joodse Genealogie

U kunt zonder inloggen gebruik maken van deze site, ingelogde gebruikers hebben toegang tot eventuele extra functionaliteiten.

Welkom op onze webstek!

Joodse Genealogie, een eerste handreiking

Buiten de eigen kring is de joodse genealogie minder bekend, hoewel nogal wat Nederlanders Joodse voorouders hebben. Vooral in Amsterdam was in de 19de eeuw de integratie met de doorsnee bevolking groot. Er waren dus heel wat gemengde huwelijken. Voor niet ingewijden blijft de joodse genealogie een wereld apart. Dit komt door onbekendheid met de betekenis van het Jodendom voor ons land, maar vooral doordat de joodse genealogie diverse specifieke eigenaardigheden kent die de onderzoekers afschrikken. Er is immers niet alleen een taalbarrière, maar ook het bijzondere schrift en de diverse religieuze tradities zijn vaak onbekend. Enige kennis van het Hebreeuws en het Jiddisch is van groot belang. Vooral bij de genealogie van vóór de Franse periode (1795-1813), toen de Joden hier nog geen normale burgerstatus hadden, gaat het onderzoek moeizaam. Het isolement in getto's (1600-1800), met weinig centraal-geregistreerde bronnen, maakt het speurwerk bijzonder arbeidsintensief; te meer daar het gebruik van vaste achternamen pas laat in de Joodse wereld is doorgedrongen. Meestal gebruikte men dus patroniemen. Bovendien bestaan er binnen de Joodse gemeenschap maar weinig goed gedocumenteerde familiegegevens uit deze vroege periode. Een bijkomend probleem is dat heel wat databestanden, om begrijpelijke redenen, tijdens de oorlogsjaren bewust zijn vernietigd.

Na de Napoleontische periode, en vooral vanaf het midden van de negentiende eeuw zien we, speciaal in Amsterdam maar ook in de rest van Nederland, een ongekende opbloei van het joodse leven. Joden werden krachtige stuwers van de economie. Veel grote bedrijven danken hun bestaan aan Joods initiatief. Vooral in de bankwereld was de Joodse invloed groot. Daarnaast stuwde Joods talent de kunsten en wetenschappen, zoals geen andere groep heeft gedaan. Bijzonder groot was de Joodse invloed in de media, in de amusements-, muziek-, en filmwereld en vooral in de pers.

Niet minder groot was de invloed in het sociale leven zoals het vakbondswezen en vooral de politiek. Joden hebben ook in Nederland aan de wieg van de sociale beweging en de vernieuwing gestaan. Het vakbondswezen dankt heel veel aan sociaal bewogen Joden. Zelfs heden ten dage is de invloed van politici van Joodse afkomst, zeker gelet op de bescheiden omvang van de populatie, ongemeen groot. Denk aan de welbekende politieke namen zoals Cohen, Asher, Plasterk, Wilbers, Samson, Rosenthal, Hoes, Samkalden, Wallage, van Thijn, om maar enkele van de vele andere namen te noemen. Deze politieke grootheden demonstreren wat Joods intellect, ook in onze tijd, vermag. Wie Joodse voorouders heeft mag zich dan ook tot een bijzondere elite rekenen.

Amsterdam dankt veel aan de Joodse invloed, niet alleen in het politieke culturele leven (denk aan Sarphati) maar ook de Amsterdamse straattaal is door Joden met veel mooie, kernachtige woorden verrijkt. Tal van woorden die wij nu als ‘gewoon Nederlands’ beschouwen zijn van Jiddische en Hebreeuwse oorsprong.

 

Genealogie is voor Joden belangrijk.

De beoefening van de complexe joodse genealogie wordt vergemakkelijkt omdat Joden zelf, zoals veel Semitische volken, hartstochtelijke genealogen zijn. Wie de Bijbel leest treft daarin vele geslachtslijsten aan, dus deze traditie is al heel oud. De invloed van Joden op het genealogische speurwerk is groot. Denk aan de genealogische onderneming ‘My Heritage’ die als hoofdvestiging een dorp nabij Tel Aviv heeft. Het joodse genealogische verenigingsleven is intensief. Voor Joden betekent genealogie veel, omdat het de samenhang tussen de Joden versterkt. Gezien het tragische lot dat de Joden hebben ondergaan in WO II, zoeken de overlevenden langs genealogische kanalen contact met elkaar. Voor de Joden is genealogie dus erg belangrijk. Er is een vereniging, de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie waarvan de leden onderzoek doen naar Joodse families in Nederland. Deze vereniging geeft het blad Misjpoge uit dat letterlijk ‘familie’ betekent. De kwaliteit van dit blad is zeer goed: zeker als men beseft dat er momenteel maar een kleine groep Joden in Nederland woonachtig is. Verder is er een website http://www.dutchjewry.org van Akevoth die een indrukwekkend overzicht van de joodse genealogie in Nederland belicht.

Internationaal zijn er diverse joodse genealogische websites. Door het ontbreken van genealogische bronnen hebben de Joden zich toegelegd op de genetische genealogie. Vooral de welbekende publicatie over de DNA-achtergrond van de naam Cohen, heeft hier voor een doorbraak gezorgd. Dit aspect is beschreven in het hoofdstuk genetische genealogie op de NGV- website.

Vanwege de Duitse oorsprong van vele joodse Nederlanders, kan het tijdschrift ‘Stammbaum’ zinvol zijn. Dit tijdschrift verschijnt ook in de Engelse taal. Het richt zich vooral op de Duits-joodse genealogie. Dit tijdschrift wordt door het Leo-Baeck-Instituut http://www.lbi.org uitgegeven. Er zijn 31 edities van dit blad verschenen.

 

Dankwoord:

Voor een groot deel ontleende ik deze gegevens aan de voortreffelijke ‘Inleiding Joods genealogisch onderzoek’ samengesteld door: R Bobbe, J Sandberg, U Link, M Mossel, B Noach.
Ik kreeg de toestemming hieruit te citeren, waarvoor ik hen dan ook dank zeg.

Aanvullende literatuur

R.Gradwohl: Joodse Bronnen

IB Creveld: Cursus Materiaal

R de Leeuw-van Wenen: Matsewa
J Dasberg (1986) Siddoer Siach Jitsschak NIK Amsterdam (1986 of 5747)

 

 

In deze bijdrage geven we enkele bescheiden handreikingen om in de joodse genealogie iets beter thuis te raken. De volgende onderwerpen  worden hier besproken:

1. Korte geschiedenis van Joods Nederland

2. De Sefardim en Asjkanazim

3. Joodse genealogische bronnen

4. Joodse genealogie na 1811

5. Joodse namen met een bijzondere betekenis

6. Joodse genealogie op internet

7. Joodse gebruiken bij de grote levensgebeurtenissen

8. Joodse Kalender

9. Joodse feestdagen

 

1. Korte geschiedenis van Joods Nederland

Vóór de tweede wereldoorlog hadden wij in Nederland een grote Joodse Gemeenschap die ongeveer 210.000 personen omvatte. De helft daarvan woonde in Amsterdam, ongeveer 10% van de Amsterdamse bevolking waren Joden. In totaal hebben door de eeuwen heen in Nederland ca. 3/4 miljoen Joden geleefd. Vanaf de 16e eeuw, toen Nederland een republiek werd, hebben Joden zich hier gevestigd als migranten en vluchtelingen, zij het wel onder strikte voorwaarden. Pas met de Franse bezetting (1795-1813), kregen de Joden burgerrechten en een gelijkwaardige status als de overige bewoners van dit land. Per 1 januari 1811 werd de burgerlijke stand ingevoerd. Het gevolg was dat ook de Joden een achternaam moesten kiezen. In de getto-gemeenschap gebruikte men veelal patroniemen. De Joodse invloed op het sociale, culturele en economische leven zien we vooral vanaf 1850 toenemen toen de Joden geleidelijk aan hun getto verlieten en actief deel gingen nemen aan de samenleving. De invloed van de Joden op de Nederlandse cultuur en samenleving was, zeker in Amsterdam, uitzonderlijk groot. (Geschiedenis van de Joden in Nederland, onder redactie van Hans Blom, Rena Fuks-Mansfeld en Ivo Schöffer,   ISBN 90-5018-296-). Amsterdam kreeg bovendien de eretitel ‘Mokum’, dat het Hebreeuwse woord is voor ‘plaats’ (Makom).

Na de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog is de Joodse gemeenschap in Nederland gedecimeerd; bijna 2/3 van alle Nederlandse Joden is vermoord. Van de kleine groep die terugkeerde, of uit de onderduikadressen te voorschijn kwam, verlieten velen Nederland. Een groot deel migreerde naar Israël, een ander deel ging naar Antwerpen, Frankrijk of de Verenigde Staten. Momenteel telt de Joodse bevolking in Nederland ongeveer 35.000 zielen. Het is een kleine, maar zeer actieve, minderheid die veel aan de samenleving bijdraagt. Velen hebben hoge posities in de regering, de wetenschap en de industrie.


terug naar index

 

2. Safaradiem en Asjkenazim

Ter oriëntatie allereerst een korte historische achtergrond van het Jodendom. Vanuit Israël zijn voortdurend Joden gemigreerd in alle richtingen. Tijdens de Romeinse periode waren er veel Joden in de diaspora. Men vermoedt dat ca. 10% van de bevolking van het Romeinse imperium Joodse wortels had. Er zijn historische aanwijzingen dat er vanuit Israël twee migratiestromen zijn geweest die voor Europa belangrijk blijken. DNA-onderzoek ondersteunt dit vermoeden.

Een eerste migratiestroom (2-3 eeuwen voor Christus), die de Babylonische tradities volgt, ging westwaarts, langs de Noord-Afrikaanse kust tot in het Iberisch schiereiland. Vooral in Zuid-Spanje kwamen de Joden tot grote culturele bloei en tot welstand. Maar ook in Tunis, Marokko en Algiers waren grote bloeiende Joodse gemeenschappen. Deze Joden is men de Sefardische Joden gaan noemen. Dit woord is afgeleid van het woord ‘sfarad ‘(1) dat in het Hebreeuws ‘Spanje’ betekent. Toen Zuid-Spanje in 1492 door de Noordelijke Spanjaarden werd veroverd, zochten deze Joden hun heil in noordelijke richting, zoals Antwerpen en Amsterdam. Daar waren ze door hun culturele rijkdom, welvaart en handelsgeest welkome gasten. Ze hadden bovendien intensieve commerciële contacten met Brazilië, de Portugese kolonie. Deze ‘Portugese’ Joden golden als welvarend en aristocratisch. Zij stichtten al vroeg de Portugees-Israëlitische gemeenschap mét synagoge (ca. 1630) in Amsterdam. Als voertaal gebruiken zij een mengvorm van Spaans en een klein deel Hebreeuws, het Ladino. De meesten van deze Joden behielden hun oorspronkelijke Portugese namen.

Een tweede belangrijke migratiestroom vanuit Israël volgt vermoedelijk later; mogelijk tijdens de Byzantijnse periode. Men trekt oostwaarts (richting Turkije) en naar het Noorden (Balkan). Er ontstaan daarna diverse grote Joodse gemeenschappen in de Balkan en in gebieden die wij nu ‘Oost-Europa’ noemen. Veel Joden migreerden naar Rusland en Polen, maar er waren ook grote Joodse gemeenschappen in Hongarije, Oostenrijk en Roemenië. Deze Joden is men ‘Asjkenazim’ gaan noemen. Deze naam is afgeleid van ‘Askenaz’, een naam uit de rabbijnse literatuur die verwijst naar ‘Askenaz, kleinzoon van Japheth’ genoemd in Genesis (Bereshet 10.3). Deze Joden waren sterk aan het getto-leven gebonden. In de 17de eeuw migreerden zij, veelal na pogroms, naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en vestigden zich, in behoeftige omstandigheden, vooral in Amsterdam; maar ook op het soms meer tolerante platteland. Zij spraken Jiddisch (een Duits-Joodse mengtaal) en zij volgden verder in hun gebruiken de oude Israëlische tradities. Zij trokken zich terug in een getto-wereld, waar ze onderling steun en gezelligheid vonden. Meestal was het een gedeelde armoede. Zij gebruikten vaak als naamgeving een Patroniem (naam vader). Bij de naamkeuze tijdens het Napoleontische bewind moesten ook zij een vaste achternaam aannemen.

Het duurde toch nog vele jaren na de Napoleontische tijd dat men zich van de getto-cultuur ontdeed. Inmiddels hadden zich ook binnen het Jodendom nieuwe, meer liberale, visies ontwikkeld (o.a. door de filosoof Mendelsohn) die de integratie bevorderden. Aanvankelijk bestonden er tussen de Sefardim en de Asjkenazim weinig contacten, beiden hadden hun eigen gebedshuizen, begraafplaatsen etc.; gemengde huwelijken kwamen zelden voor.


terug naar index

 

3. Joodse genealogische bronnen

Uit de gegevens in eerdere paragrafen is duidelijk, dat men vóór 1600 haast geen bronnen van Joden kan vinden. Zelfs ná 1600 zijn de bronnen schaars en moeilijk te vinden, zeker als men de plaats van herkomst van de voorouders niet kent. Men is immers hoofdzakelijk aangewezen op de stedelijke gegevens zoals de belastingkohieren (haardstedengeld), de poorterregisters, armenarchieven, indemniteits-registers e.d. Ook in schepenverslagen kan men soms aantekeningen vinden over joodse huwelijken, rechtelijke gedingen, veroordelingen e.d.

Een uitzondering moet gemaakt worden voor de provincie Limburg. Al vroeg waren daar enkele Joodse families, maar die werden te Maastricht in 1350, in Roermond in 1390, verdreven. Later vestigden zich weer Joodse families aldaar. Tijdens het bewind van Karel V werden deze Joden echter wederom uit onze streken verdreven. Nadien hebben zich bij tijd en wijle weer Joden in Limburg gevestigd, o.a. in de Maasplaatsen waar zij handel konden drijven. Hun positie was afhankelijk van de goedheid van de plaatselijke machthebbers en die was meestal niet zo best. In het archief van Sittard kan men bijvoorbeeld Joodse namenlijsten vinden (zie Brassé). In dit kader wordt tevens verwezen naar het boek ‘Limburgse Voorouders, handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg’ van Régis de La Haye, waarin een aantal publicaties worden genoemd die helpen bij het opsporen van Joodse voorouders in Limburg.

Meer specifiek voor Joden zijn uiteraard de besnijdenisregisters, die incidenteel nog beschikbaar zijn. Verder zijn er bij het CBG ‘Joodse ondertrouw- en huwelijksregisters’. In de meeste gemeentearchieven zijn ook wel gegevens beschikbaar over de Joodse gemeenschap, vooral als deze een eigen sjoel hadden. Dan kan men zoeken in de begrafenisregisters en natuurlijk ook naar het ‘stenen archief’ (begraafplaatsen) gaan. Het is bekend dat begraafplaatsen voor Joden ‘heilig’ zijn en niet mogen worden geruimd. Vandaar dat heel wat Joodse begraafplaatsen zeer oude grafstenen laten zien. Het boek van T. Spaans-van der Bijl (1997) ‘Handleiding joodse genealogie’ (Baarn) is nog altijd de moeite waard om te raadplegen. In de grote Nederlands-Israëlische synagoge te Amsterdam zijn ook archivalia beschikbaar.


terug naar index

 

4. Joodse genealogie ná 1811

Makkelijker wordt het voor de genealoog voor gegevens van ná 1811, toen het Franse burgerlijk wetboek hier van kracht werd verklaard en de burgerlijke stand werd ingevoerd. Dat betekende dat ook de Joden een familienaam moesten aannemen. Van deze naam-aanname zijn registers beschikbaar. Die zijn in provinciale archieven te vinden.

Er zijn diverse goede studies, zoals die van C. Reijnders in Gens Nostra (1989) 44: 29-32.

De studie van Lemmens geeft een overzicht van de naamgeving van de Limburgse Joden: LTG (1996) 24: 79-90

Voor de Sefardische Joden gold deze verandering niet, want die hadden reeds zeer oude Spaans-Portugese achternamen: zoals Mendes Da Costa, Sarphatie, Lopez Cardoso, Texeira de Mattos, Pereira, Coutinho, Da Pinta, Castro, De Pinto, Querido, Rodriges, Peres, de Miranda Peres, etc.

De Asjkanazim gebruikten binnen de eigen kring patroniemen. Zoals te verwachten kozen de Asjkenazim hun vadersnaam vaak als achternaam, vandaar namen als Davids, Salomons, Jacobs, Abraham, Benjamin, Mozes, Noach, Saul etc., etc. Nogal eens zijn deze namen verbasterd. Soms koos men als achternaam een beroepsnaam zoals Klerenkoper, Diamant, Huidenkoper, Zilversmid, Goudsmid, Boekbinder, Drukker e.d. Soms ook de plaats van herkomst of vestiging (Hamburg, van Praag, Coevorden, Kleef, Bamberg, Italië e.d.). Van de meer welvarende Asjkenazim-families echter waren al eerder de vaste achternamen bij de overheid bekend en zij behielden deze familienamen. In sommige Oostenrijkse gebieden was, laat in de 18de eeuw, het gebruik van een vaste verduitste achternaam gangbaar. Bij migratie behielden deze Joden hun oorspronkelijke naam. Veel Joden hebben daarom Duits-klinkende achternamen zoals Weiss, Weisman, Stern, Zack, Schwartz, Gross, Rosenthal. Namen met een Poolse of Russische herkomst ziet men ook regelmatig in de Joodse bevolkingsgroep: zoals Polak, Lipschitz, Moskowitz. Uiteraard zijn er ook namen met een Hebreeuwse (Chazan, Parnas, Kattan) of Jiddische achtergrond.


terug naar index

 

5. Joodse namen met bijzondere betekenis

Enkele namen hebben voor Joden een speciale betekenis; dat zijn de namen: Cohen, Levi en Yisraeel.

De familienaam ‘Cohen’ wordt gegeven aan alle mannelijke afstammelingen van Aäron, die in Bijbelse tijden de eerste hogepriester was. Deze groep behoorde dan ook volgens de joodse traditie tot de priesterklasse. De officiële schrijfwijze is KoHeiN (KHN) dat voor ‘priester’ of ’staatsdienaar’ staat. ‘Kohein Gadol’ is ‘hoge priester’. Deze naam wordt in veel landen in talloze variaties geschreven, zoals: Kohn, Cohn, Kahn, Cahn, Kohen, Kohenius, Catz, en Katz. De naamdragers Cohen hebben voorrang in de synagogendienst. Ze komen als eersten in aanmerking voor de Thoralezing en ze spreken op feestdagen de priesterlijke zegen uit.

Zij zijn aan bepaalde extra regels onderworpen en hun huwelijkskeuze wordt daarmee danig beperkt. Het aardige is dat veel naamdragers ‘Cohen’ overeenkomstige DNA-profielen hebben.

Joden met de naam ‘Levi’ stammen af van de stam Levi. Ze worden ook Levieten genoemd en hadden functies in de tempel. In veel synagogen zijn de naamdragers Levi betrokken bij de eredienst. Verbasteringen van de naam Levi zijn zeer talrijk, zoals: Levin, Levine, Levitt, Lever, etc. Personen met de namen Cohen en Levi worden met extra respect behandeld. Op graven hebben de Cohens vaak ‘opgeheven handen’ als eresymbool; de Levi's een schenkkan.

De familienaam ‘Israël’ is een alternatieve naam voor de gewone Joden die geen Cohen of Levi heten. Het aantal variaties op deze naam is zeer groot: Israeli, Yisrael, Disraeli Yisroel, Yisraeel.

Aan de hand van de achternamen kan men dus inschatten tot welke joodse groep iemand behoorde ( en vaak ook wanneer men naar de akte van naam-aanneming zou kunnen zoeken). Bedenk echter dat heel wat Joden standaard Nederlandse namen hebben zoals: Heimans, de Leeuw, Gans, Mok, Knoop, Engelsman, de Hond, de Vries e.d. Bedenk verder dat een naam in het Duits ‘typisch Joods’ kan zijn maar in Nederland niet onmiddellijk (Koten). Het is dus zaak niet te snel conclusies te trekken.


terug naar index

 

6. Joodse genealogie en internet

Als regel kan men stellen dat de Joden ‘geboren genealogen’ zijn en zo veel als mogelijk hun families hebben gedocumenteerd. Inmiddels zijn er diverse databestanden op internet te vinden. Een bekende site hiervoor is http://www.nljewgen.org van de Nederlandse kring voor joodse genealogie. Deze kring geeft het eerder genoemde tijdschrift Misjpoge uit.

Yahoo heeft een nieuwsgroep: http://www.groups.yahoo.com/group/joodse_genealogie_groep/ voor diegenen die dat onderwerp belangrijk vinden.

Verder zijn er nog:

http://www.communityjoodsmonument.nl/

www.sjoelplein.nl

www.yadvashem.nl

www.yadvashem.org

Daarnaast kan men natuurlijk de gebruikelijke databestanden en tijdschriften van meer algemene aard doorzoeken. Het Centraal Bureau voor Genealogie http://www.cbg.nl heeft ook nogal wat Joodse gegevens. Het Amsterdamse stadsarchief beschikt eveneens over veel Joodse gegevens, hetzelfde geldt voor Rotterdam.

Een belangrijke site is natuurlijk http://www.jewishgen.org die gegevens van over de hele wereld bevat. Omdat in de VS door Joden veel aan genealogie gedaan is, is dit een veel bezochte site. Hetzelfde geldt ook voor Israël, waar een genealogisch centrum van ‘het museum voor de diaspora’ (Beet Hatefutsot) te Tel-Aviv gegevens over Joodse families verzamelt. Voor de meer specifieke Nederlandse aspecten van Nederlandse onderzoekers heeft men echter geen oog; mogelijk komt dit omdat de Nederlandse niche momenteel erg klein is in vergelijking met de totale omvang van het bestand.

Vandaar dat de vereniging Akevoth(betekent: spoor) zich in het bijzonder is gaan richten op de Nederlands-joodseg enealogie; hun website is   http://www.dutchjewry.org


terug naar index

 

7. Joodse tradities bij de grote levensgebeurtenissen

 

Het huwelijk.

Zoals bekend werd het huwelijk tijdens het concilie van Trente (1563) pas goed wettelijk geregeld.

De bepalingen werden vrij snel daarna binnen de katholieke gemeenschap geaccepteerd en tot uitvoering gebracht. Gesteld werd dat een huwelijk pas wettig was wanneer dit in de kerk ‘publiek’ werd verklaard in aanwezigheid van 3 (later 2) getuigen, met een bevestiging door de aanwezige priester. Eis was verder dat op 3 voorafgaande zondagen het huwelijk werd aangekondigd (banns), zodat men eventuele bezwaren tegen dit aanstaande huwelijk kon inbrengen. In de niet-katholieke landen bleef de zaak even wanordelijk als daarvóór. Vrij snel daarna namen veel protestantse landen de regelingen van de katholieke kerk grotendeels over. In 1580 bijvoorbeeld, decreteerden de Staten van Holland, via een politieke ordinantie, dat personen die samenwoonden als ‘gehuwd’ werden beschouwd. Voorts werden regelingen getroffen voor hen die zouden gaan trouwen, waarbij de dominee als een soort ambtenaar van de burgerlijke stand diende te fungeren. Nadien kwamen nog diverse aanvullende regelingen. In 1656 vaardigden de Staten generaal het ‘echt-regelement’ uit, dat aanvullende bepalingen gaf. Daarin werd vastgesteld dat het katholieke huwelijk niet rechtsgeldig was en dat uitsluitend voor de dominee wettelijk kon worden getrouwd!

Joden voelden niet veel voor een christelijk kerkelijk huwelijk en zij konden, naar wens, voor de schepenbank trouwen. Ook hiervan moest van te voren een publieke ondertrouw bekend worden gemaakt (puiboeken). Maar er waren plaatsen waar dit niet mogelijk was en men tóch voor een dominee moest trouwen. In veel opzichten zaten sommige Joden in een vergelijkbare situatie als de meeste katholieken. In Zuid-Limburg immers, waar delen tot de Hollandse partage (bedeling) behoorden en dus Staats waren, waren katholieken verplicht éérst voor de dominee te trouwen, voordat ze door de priester in de echt konden worden verbonden. De dominee noteerde de gegevens van het trouwlustige paar nauwkeuriger dan de pastoor, zodat dit een belangrijke extra bron is. Het katholieke huwelijk bood geen enkele wettelijke bescherming, mocht er later over huwelijkszaken geprocedeerd worden. In incidentele gevallen waarbij Joden door de dominee geregistreerd waren, betekende dat dus niet dat betrokkenen protestants waren. Incidenteel schreef de dominee, om dezelfde reden, ook wel Joodse geboorten in, die dan in het doopregister werden opgenomen; ook hiervoor geldt hetzelfde.

Toen het Franse burgerlijke wetboek hier op 1 januari 1811 van kracht werd verklaard mochten pas joodse religieuze huwelijksplechtigheden worden gehouden nádat men voor de wet was getrouwd. Men hield zich aan dit voorschrift om de rabbijn niet in problemen te brengen; anders zou die strafbaar zijn (boete, gevangenisstraf). Maar niet in alle gevallen werd strikt aan deze regel de hand gehouden, zoals in de afgelegen provincies. Daar werd nogal eens getrouwd zonder dat de autoriteiten er van op de hoogte gesteld waren, mede uit kostenoverwegingen. Het probleem was dan dat de kinderen, die uit zulke relaties kwamen, als onwettig werden beschouwd, zonder rechten. Meestal loste men dit probleem soepel op en werden de kinderen alsnog geëcht, ook al was geen huwelijk voor de wet aan de orde geweest, maar uitsluitend een kerkelijk huwelijk.

Na vervulling van de wettelijke verplichtingen was er ook nog een Joods trouwritueel dat men ‘choepa’, ook wel ‘choppe’, noemt. Bij deze trouwrituelen krijgt de bruid vóór de godsdienstige echtverbintenis (erosien) een geschrift (ketoeba) waarin haar rechten zijn vastgelegd en waarin haar naam, de naam van de bruidegom en hun ouders werden gedocumenteerd. Te Amsterdam werd eertijds nog een tweede document opgesteld waarin de huwelijkse voorwaarden werden geregeld (tnaim acharoniem: laatste voorwaarden). In Amsterdam werd bovendien bij de verloving (ongeveer 1 jaar voor de bruiloft), de eerste huwelijkse voorwaarden opgesteld. Deze noemde men de ‘tnaim rishon’ (rishon = eerste), die dan evt. vóór het huwelijk nog konden worden gewijzigd. Deze akten werden getekend door gecommitteerden, van iedere kant één. Deze gecommitteerden mochten géén familie zijn en zij kregen de persoonlijke verantwoordelijkheid er op toe te zien dat men zich aan de voorwaarden hield. Al deze documentatie bevat natuurlijk belangrijke genealogische gegevens, die de moeite waard zijn om op te sporen.

 

Dan is er nog een specifieke zaak, die voor kwam bij de joodse traditie: het zwagerhuwelijk (jibboem) en de chalietsa. Conform Bijbelse normen moest de broer de weduwe van zijn broer trouwen, zo zij wilde. Zij kon ook afstand doen van dit recht. Haar eerste kind uit deze tweede relatie zou dan de overleden echtgenoot als vader krijgen. Wilde een man van deze verplichting af, dan moest men de weduwe schadeloos stellen, deze verplichting werd chahlietsa genoemd. Het leviraats- of zwager-huwelijk is nogal omstreden geweest. Als regel kan men stellen dat dit Thora-gebod, hier ten lande, nooit strikt gehandhaafd is en de chalietsa nooit zo streng is toegepast.

 

Bovenstaande huwelijksgegevens zijn verspreid wel te vinden in de joodse ondertrouw- en trouwregisters. Voor een deel worden deze gegevens bewaard in de archieven van joodse gemeenten. Men moet wél uitzoeken waar ze zijn opgeslagen. Verder kan men gegevens proberen te vinden in Stadsarchieven en bij het CBG. Zowel Amsterdam als Rotterdam hebben nogal wat Joods materiaal in hun archieven.

 

Overlijden en begrafenis

Volgens de joodse traditie is snel begraven een plicht aan de overledene. Men vindt het in strijd met de piëteit als men de dode te lang boven aarde houdt. Op sabbat mag niet worden begraven, evenmin op sommige feestdagen. Maar men streeft er naar om toch aan de minimale verplichtingen (2 dagen) te voldoen. De graven mogen niet opzichtig zijn en liefst zo sober mogelijk. Traditie is ook dat de graven ‘eeuwig’ zijn en niet mogen worden ‘geroerd’. Gegevens over dood en begraven kan men in de graf- en begrafenisboeken vinden, wanneer men enige kennis van het Hebreeuws of het Jiddisch heeft. De documentatie is echter beperkt bij de Asjkanazie.

Bij Sefardische Joden zijn deze begrafenis-gegevens in het Portugees gesteld en er zijn bovendien meer gegevens van oudere datum. Zij kunnen in het stadsarchief o.a. van Amsterdam worden gevonden. Akevoth heeft een database van overleden Joden in de 18de eeuw. Men wordt hier ook verwezen naar het Joods historisch museum. Een alternatieve bron kunnen ook de impostregisters zijn, een belastingregister op begraven, later (na 1806) werd de impost afgeschaft. Men kan dan pogen gegevens te vinden over eventuele successiebelasting.

 

De geboorte van een zoon of dochter

De geboorte van een zoon of dochter is uiteraard een zeer belangrijke gebeurtenis en dat geldt zeker ook voor Joodse gezinnen. Belangrijk gegeven daarbij is natuurlijk de naamgeving en aan wie dit recht toekomt. Uiteraard zal bij de keuze van de voornaam vooral geput worden uit de Bijbelse namen, zoals ook bij veel christenen het geval was. Over het recht van naamgeving bestaat discussie, volgens velen hebben beide ouders het recht om een naam te kiezen, vaak zal dat natuurlijk in gemeenschappelijk overleg worden besloten. Er zijn ook tradities, dat bij het eerste kind de vader de naamgever is, bij het tweede kind de moeder, bij het derde kind weer de vader etc. Bij betwisting van de naam zal uiteraard de rabbijn kunnen bemiddelen. Net zoals in veel andere culturen vernoemde men de kinderen vooral naar de grootouders, sommigen keuren dit af. Ook de naam van de rabbijn wordt vaak bij de voornamen opgenomen. Krijgt een kind 2 namen, dan moet de roepnaam beide voornamen bevatten.

 

Specifiek Joods is de dag van de naamgeving. Hier is een verschil tussen jongens en meisjes.

Een jongen krijgt zijn naam bij de besnijdenis (b'riet hammila) die een week na de geboorte plaats vindt, tenzij de boreling ziek is. Dan wordt de besnijdenis uitgesteld. De reden dat men met de besnijdenis tenminste een week wacht is, omdat dan de bloedstolling weer optimaal is. Vaak houdt de ‘moheel’ die de besnijdenis verricht aantekening in een register van de besneden jongens. Maar deze registers waren privé-eigendom en veel zijn er verloren gegaan. Enkele registers die de tijd overleefd hebben kan men op diverse plaatsen vinden, zowel bij het CBG, maar ook bij de plaatselijke Joodse gemeenten. Een deel van deze registers is gedigitaliseerd en door Akevoth op internet geplaatst. Voor een deel zijn deze registers in het Hebreeuws opgesteld.
Een meisje krijgt haar naam al bij de Thora-lezing op de maandag, dinsdag of de sabbat na haar geboorte. Over meisjes is dus geen registratie te vinden. Dit alles verandert natuurlijk ná 1811 wanneer de Burgerlijke Stand verplicht wordt doorgevoerd en borelingen van beide kunne moeten worden geregistreerd.

Daarnaast heeft men bij (mannelijke) eerstgeborenen nog de ‘Pidjan Haben’. Dit is een ceremonie van vrijkoping (lossing), omdat alle eerstgeborenen van mens en vee in het bijzonder aan God dienen te worden gewijd. In principe komt het er op neer dat men een vast losgeld betaalt wanneer het kind 30 dagen oud is aan de nakomelingen van Aaron (Kohen). Soms wordt van deze lossing een feestelijke gebeurtenis gemaakt. Personen die tot de groep ‘Kohen’ of’ Levie’ behoren betalen deze ‘pidjan haben’ niet. Kinderen van deze groepen behoren al tot de God-gewijden.


terug naar index

 

8. De Joodse kalender

De Joodse kalender is te complex om hier uitvoerig te bespreken. Wie joodse genealogie doet moet er echter kennis van nemen. Gelukkig dat er op internet Joodse kalenders te vinden zijn waarin ook de gewone kalendergegevens zijn opgenomen. In tegenstelling tot de gewone kalender is de Joodse kalender strikt ‘lunair’ (zij volgt de maanstand, de eerste dag van de nieuwe maand begint bij nieuwe maan). Het Joodse jaar heeft dus 354 dagen. Zouden er geen aanpassingen plaatsvinden van de joodse ‘maan’-kalender, dan zouden de ‘zonne’-kalender en de ‘maan’-kalender niet meer sporen, omdat de nieuwjaarsdag dan ieder jaar 11 dagen eerder gaat vallen op onze ‘zonne’kalender. Op gezette tijden wordt daarom een ‘schrikkelmaand’ ingevoerd, globaal om de 3 jaar, volgens een 19-jarige cyclus. De laatste maand van het jaar heet Adar. Wanneer een schrikkelmaand wordt ingevoerd noemt men die extra maand de tweede Adar; deze tweede Adar volgt onmiddellijk na de eerste Adar. Het nieuwe jaar wordt gevierd op 1 tisjri, op Rosj Hasjana, een van de belangrijkste feesten van het jaar, dan verspringt het jaartal. Er is nog een tweede nieuwjaar en dat is het "kerkelijke nieuwjaar" dat Rosj Hasjana (letterlijk rosj=eerste, hasjana = jaar) wanneer men elkaar gelukkig nieuwjaar wenst. Dit Nieuwjaar valt in september/oktober. Vanwege de andere jaarindeling en door het gebruik van een schrikkelmaand is er geen concordantie met onze kalender.

De joodse jaartelling begint bij de schepping, we hadden in 2010 het Joodse jaar 5771. Het is niet ongebruikelijk het millennium cijfer weg te laten omdat dit algemeen bekend wordt geacht. De jaaraangave wordt dan dus 771.


terug naar index

 

9. Joodse religieuze feesten

Bekende Joodse feesten (GAG) zijn:

Pesach = Pasen (voorjaar) herdenking bevrijding uit Egypte.

Shawoe'oth (= zevenwekenfeest) = Pinksteren, herdenking verkrijging van de wet op de berg Sinaï.

Soekot (loofhutten feest), herinnering aan de tocht door de woestijn.

Nadien nog Simchat Thora (vreugde der wet), wanneer de Thora-rollen feestelijk worden rond gedragen.

Rosj Hasjana (Nieuwjaar) is het belangrijkste feest van de Joodse kalender, men wenst elkaar voorspoed. Dit feest vindt plaats in de 7de joodse maand die in het najaar valt. Jom Kippoer (dag van de verzoening) viert men 8 dagen na Rosj Hasjana). Dit zijn dagen van inkeer en boete.

Chanoeka (het lichtjesfeest in november/december, inwijding van de tempel).

Tisja Be'av = Treurdag om de verwoesting van de Tempel.

En tenslotte Poeriem, een carnavalesk feest in het voorjaar, met als verhaal het boek Esther.

 

De niet religieuze feesten zijn:

Toe Bisjwat = Bomenfeest.

Jom Hasjoa = Holocaust herdenkingsdag.

Jom Ha'atsmoet = Onafhankelijkheidsdag 1948.

Lag Ba'omer = 33e van de Omertijd (tussen pesach en zevenwekenfeest: men herdenkt en rouwt over een massale sterfte van leerlingen in de 2de eeuw).

Jom Jeroesjalaiem = Herinnering Jeruzalem 1967.

 

Zie ook:  J. Dasberg (1986) Siddoer Siach Jitsschak NIK Amsterdam (1986 of 5747)


terug naar index

Nieuws van de interessegroep Joodse Genealogie

Datum TitelReactiesGelezen
18 apr 2017Zijn de joden tijdens WO_II meervoudig gepakt 0152
17 apr 2017Het open joodse huizen project Gouda 0116
04 feb 2017Lijst van Auschwitz-Berkenau kampbewaarders 0538
04 feb 2017Nieuws over Sjoa Drenthe 0444
27 jan 2017Het Fries Film Archief bezit kortelings over unieke beelden van Joods Leeuwarden uit 1939. 0222
24 jan 2017SJOA DRENTHE staat in de top 20 lijst. 0298
16 jan 2017Misjpoge (het joods genealogisch tijdschrif) de laatst 2 jaargangen: inhoudsopgave 0308
15 dec 2016Belangrijk joods genealogisch nieuws: Misjpoge online 0456
26 nov 2016Betty van der Harst-Trompetter (1917-2003) 0319
25 nov 2016Martha Tausk-Frisch 1881-1957) 0227

| © Nederlandse Genealogische Vereniging | Privacy Policy | Disclaimer | Website overzicht |