Nederlandse Genealogische Vereniging
Wie op zoek gaat naar voorouders kan best wat hulp gebruiken...
Van de NGV bijvoorbeeld!

Afdeling Groningen

NGV afd. Groningen - Staatse leger

Maart 2001: het Staatse leger in Stad en Lande

Door Joop van Campen

Dit artikel handelt over het Staatse leger in het gewest Stad en Lande. Het is deels een herhaling van de lezing die op 13 december 2000 plaatsvond in de Groninger archieven. Deze samenvatting kunt u vinden in het tijdschrift HuppelDePup van de NGV- afdeling Groningen (jaargang 8, nummer 2). In deze verhandeling komen echter ook nieuwe aspecten aan bod, zoals gemengde huwelijken van militairen, het krijgsgerecht en inspectiereizen van gedeputeerden naar de schansen.

Inleiding.

Het Staatse leger werd gevormd na de Pacificatie van Gent in 1576. Dit was een overeenkomst tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden om de Spanjaarden te verdrijven. Kort daarvoor hadden muitende Spaanse troepen vreselijk huisgehouden in Antwerpen en honderden mensen over de kling gejaagd.

Het Staatse leger hield op te bestaan na de inval van de Fransen in 1795. Het was een beroepsleger dat voor een groot deel uit buitenlanders bestond, zoals Duitsers, Zwitsers, Schotten, Walen en uit vele andere Europese staten.

De Republiek der Verenigde Nederlanden was niet zo eensgezind als de naam doet vermoeden. De federale structuur van de Republiek, de statenbond, was voor de toenmalige Nederlanders een vast gegeven. En men bevond zich er wel bij en niemand – behalve soms het gewest Holland – voelde behoefte aan meer eenheid. Maar ten tijde van oorlogsdreiging vond men elkaar toch. Het politieke orgaan van de zeven soevereine gewesten, de Staten-Generaal zetelde in Den Haag en hield zich vooral met het buitenlandse beleid bezig. De legerzaken hadden ze grotendeels gedelegeerd aan de Raad van State. Een college voor het leven benoemd – dus met alle ervaring - dat zorgde voor het leger ter velde en de jaarlijkse petitie (begroting) van oorlog opstelde. Voor de betaling van de legerkosten was het repartitiestelsel ingevoerd. Elk gewest moest allereerst de troepen binnen zijn grenzen betalen. Heel slim want dat dwong tot prompte betaling. Soldaten die hun soldij niet op tijd kregen sloegen licht aan het muiten en dan konden de burgers in de garnizoenssteden zich wel bergen. De rest van de quoten was bestemd voor de garnizoenen buiten de grens, de vestigingwerken, de wapens en munitie.

Organisatie en bewapening.

Na deze inleiding wordt getracht in te zomen op het Staatse leger in het gewest Stad en Lande. Voor de duidelijkheid beperkt tot de infanterie of wel het voetvolk. De infanterie was als volgt samengesteld:

De kleinste organisatorische eenheid was een compagnie, bestaande uit ongeveer 55 man. De daarop volgende eenheid was een bataljon, dat bestond uit 7 à 12 compagnieën. Het niveau daarboven werd een regiment genoemd en werd meestal gevormd uit 1 tot 3 bataljons.

De gewone soldaten waren uitgerust met een vuursteengeweer (snaphaan) met bajonet. Verder waren er soldaten, die bovendien van handgranaten waren voorzien, de zogenoemde grenadiers. De jagers deden pas na 1780 hun intrede. Zij beschikten over een soort buks en zij fungeerden als scherpschutters in het voorhoedegevecht.

Na het einde van de Oostenrijkse Successie Oorlog (1740-1748), waarbij de Republiek ongewild werd betrokken, vaardigden de Staten-Generaal in 1752 een resolutie uit, waarin een reductieplan voor het leger werd vastgesteld. Voortaan moesten alle gewone compagnieën bestaan uit: 1 kapitein, 1 luitenant, 1 vaandrig, 2 sergeanten, 1 tamboer,1 solliciteur en 48 soldaten, waaronder 3 korporaals. Het ‘Groningse’ regiment Oranje Stad en Lande zou voortaan uit 12 compagnieën bestaan. Twee van de 12 compagnieën waren grenadiers. Deze werden teruggebracht tot 1 compagnie van 52 grenadiers, exclusief leiding. Deze bestond uit 1 kapitein, 1 kapitein-commandant, 1 luitenant, 1 vaandrig, 2 sergeanten, 2 tamboers en 1 solliciteur. Dus in totaal 61 ‘koppen’ (manschappen).

Oorlogsbegroting (1)

Uit de staten van oorlog (begroting) van 1755 blijkt dat Stad en Lande voor 29 compagnieën d.w.z. voor 1639 koppen bijna 28.000 pond (lees: gulden) moest betalen. Van de jaarlijkse totale oorlogsbegroting van de Republiek betaalde Stad en Lande ongeveer 6 %. Het gewest Holland nam circa 60 % voor haar rekening. In het kader van de begroting en financiële controle werden door gedeputeerden van de Raad van State en de gewesten Stad en Lande en Friesland elk jaar inspectiereizen uitgevoerd in de vestingen en schansen in Westerwolde.

Hoe ging zo’n inspectiereis in zijn werk? (2)

Op 10 Augustus 1730 kwamen te Groningen de heren W. van Sonsbeek, J. Vegelin van Claarbergen, gedeputeerden van de Raad van State, J.W. Peraeus, gecommitteerde provincie Friesland en J. Lewe, heer van Middelstum, H.H. Siccama, raadsheer van de stad Groningen, beide gecommitteerden van Gedeputeerde Staten van Stad en Ommelanden bijeen om hun inspectiereis voor te bereiden. Uit het uitvoerige verbaal met de nodige bijlagen en financiële gegevens blijkt o.m. dat het gezelschap op maandag 20 augustus vertrok naar de Bellingwolder (Oude) Schans. Daar werden ze verwelkomt door de commandeur Manneel en zijn gevolg. De volgende dag vond de verpachting van de gemene middelen van de Heerlijkheid van Wedda en Westwoldingerland, Bellingwolda en Blijham met de onderhorige forten plaats. Zij visiteerden vervolgens ’s lands metsel – en timmerwerken aan de schans, kerk en toren.

Ook bekeken ze de logementen van de commandeur, predikant; inspecteerden de voorraden in het magazijn en onderhoud aan bruggen, straten en goten. Aannemer J. Roskop had het werk volgens de bestekken tot genoegen uitgevoerd en ontving een attestatie om hem 1100 caroli gulden (minus 10% belasting) uit te betalen door de provincie Friesland. Schoolmeester D. Spoor werd een attestatie verleend voor 15 caroli gulden voor het smeren en opwinden van het horlogie (uurwerk) gedurende een jaar. De arme weduwe Catharine Wolf kreeg 12 caroli gulden en 12 stuivers ‘tot ondersteuning van haar noodlijdendheid’. Predikant P. Westermolen verzocht enige noodzakelijke reparaties aan de pastorie te mogen verrichten. Dit kon niet van het budget van de aannemer. Zijn verzoek werd gehonoreerd, mits de kosten niet meer dan 40 caroli gulden zouden bedragen. Het jaar daarop kon hij tegen het vertonen van een gespecificeerde rekening en kwitanties zijn geld krijgen. Zo kregen verschillende personen attestaties tot betaling voor hun diensten.

De gecommitteerden vertrokken op 23 augustus namiddags uit de Bellingwolder Schans en arriveerden tegen de avond in Bourtange. Bij aankomst werden zij verwelkomt onder het lossen van het kanon door commandeur Verrucij, officieren van het garnizoen, de predikant en andere landsdienaren. Ook hier worden de aardewerken aan de schansen, de metsel – en timmerwerken en het magazijn geïnspecteerd.

De aannemers en vele andere bewoners kregen attestaties om geld te kunnen innen. Zo kreeg vroedvrouw A. Smeda haar jaartraktement van 25 caroli gulden voor het bedienen van de soldatenvrouwen in het garnizoen. De kerkenraad verzocht om één stuiver te mogen heffen op iedere korf bijen, die door het fort werd vervoerd om daarmee de armen te kunnen ondersteunen. Het rekwest werd ingewilligd. Op 25 augustus namiddags vertrok het gezelschap wederom onder het lossen van het kanon naar de Bellingwolder Schans. Daar werd overnacht en de volgende dag reisden ze door naar de Langakkerschans (na 1808 de Nieuwe Schans). Ook hier werden ze met een saluut van harte welkom geheten door commandeur Wichers en zijn ondergeschikten. Na een rustdag vervolgden zij hun tocht naar Lieroort. In de namiddag van de 28ste inspecteerden ze de aardewerken van het fort. Aannemer M. Lourens kreeg een attestatie voor een bedrag van 900 caroli gulden (- 10%) en de burgers Willem van Oosten en Derk Jacobs ontvingen voor hun metsel – en timmerwerk 2890 caroli gulden (- 10%). Magazijncommies Gerrit Nieuwenhuis verkreeg restitutie voor 3 gulden en 7 stuivers voor het laten vervaardigen van enige paren hoedvilten muilen alsmede de aanschaf van blikken schopjes voor het kruitmagazijn. Ook gaf men hem toestemming om nieuwe lindebomen en iepen te kopen voor een bedrag van 50 caroli gulden.

Op 31 augustus kwamen de gecommitteerden in Langakkerschans aan. Ook hier de gebruikelijke inspecties en uitbetalingen aan vele personen. Op 2 september keerden ze terug naar Groningen.

Hoe kwam de Republiek aan haar troepen?

De Republiek had een kleine bevolking, die tussen 1600 en 1795 maar weinig toenam. Geschat op 1,5 miljoen zielen omstreeks 1600, een aantal dat tot 1795 slechts langzaam zou stijgen tot iets meer dan 2 miljoen. Uit deze bevolking moesten soldaten worden gerekruteerd. Maar ook andere organisaties waren op zoek naar personeel, zoals de Admiraliteit (behoefte van de oorlogsvloot was 3000 man op jaarbasis; 50% was Nederlander. Zonder buitenlanders kon de vloot niet varen), koopvaardij en visserij hadden aan het eind van de 18e eeuw 60.000 man in dienst, de walvisvaart, de VOC (ruim 70 % Nederlanders) en de WIC hadden regelmatig nieuwe werkkrachten nodig. U zult begrijpen dat het Staatse Leger zich met name buiten de grenzen van de Republiek op de internationale soldatenmarkt moest begeven om in haar behoefte aan soldaten te kunnen voorzien.

Hoe werd er geworven?

Tegen het einde van de winter gingen per compagnie een officier, enkele onderofficieren en manschappen op pad om de compagnie te complementeren. Er mochten geen personen jonger dan 20 worden geworven, later werd de leeftijdsgrens op 18 gesteld. Er werd in beginsel op onbepaalde tijd geworven. Later werd dit afgezwakt tot een dienstverband van minimaal 6 jaar. De rekruut moest tenminste 5 voet en 4 duim Rijnlandse maat zijn, d.w.z. ongeveer 1.65 meter om in dienst te kunnen treden. Met toestemming van ouders en/of voogden mochten 16 en 17 jarigen als cadet worden geworven, mits ze goed en robuust gebouwd waren. De militaire keuring geschiedde door de chirurgijn – majoor. De kapitein van de compagnie ontving per geworven man 20 tot 25 rijksdaalders, het zogenoemde ‘aanritsgeld’.

Waar kwamen de militairen vandaan? (3)

Allereerst is gekeken naar het onderzoek van H.L Zwitser. Hij bekeek de rekrutenlijsten, die alleen van de jaren 1780 en 1781 bewaard zijn gebleven, op een aantal aspecten zoals geboorteplaats/streek, leeftijd, burgerlijke staat etc. De in deze lijsten vermelde gegevens zijn van belang omdat ze ons inzicht geven in de samenstelling en tot op zekere hoogte in de achtergronden van het soldatenvolk. Zo vond Zwitser dat van de 2229 rekruten van 24 regimenten 55 % afkomstig was uit Nederland en 45 % uit het buitenland, waarvan de meeste uit Duitsland met name uit Nassau, Hessen, Fulda en Keulen.

Deze gegevens zijn vergeleken met eigen onderzoek. Daartoe zijn de geboorteplaats/streek gegevens uit de DTB-boeken van de garnizoensplaatsen Bellingwolder Schans (Oude Schans), Bourtange, Delfzijl, Langakker Schans (Nieuwe Schans) en Lieroord (bij Leer) uitgesplitst naar het land van herkomst.

De stad Groningen en Emden bleven in dit onderzoek buiten beschouwing. De resultaten zien er als volgt uit. In totaal werden 706 militairen in kaart gebracht, waarvan de meeste gewoon soldaat waen.

Uit de Republiek waren 208 (29,5 %) afkomstig, uit Duitsland 189 (26,8 %), onbekend 293 (41,5 %) en uit de rest van Europa 16 (2,2 %). Toch zijn er grote verschillen tussen genoemde garnizoenplaatsen aangetroffen. In Lieroord, waar tot 1745 Staatse troepen hebben gelegen, kwamen van de 184 militairen 63 (34 %) uit de Republiek, 93 (51 %) uit Duitsland, waarvan velen uit Ost-Friesland, onbekend 20

(11 %) en 8 (4 %) uit de rest van Europa.

In Delfzijl was de afkomst van 105 ( 85 %) van de 129 (100 %) militairen onbekend. Het optekenen in de DTB – boeken door predikanten verschilde plaatselijk nogal. Vaak werden in de garnizoensplaatsen alleen de proclamaties afgekondigd en trouwden ze elders, bijvoorbeeld in de stad Groningen. Vindt men in een garnizoensplaats niet waar de militair vandaan komt, dan is er soms toch nog een kans dat dit wel wordt vermeld in de ondertrouwregisters van de stad Groningen. In de DTB – boeken van de garnizoensplaatsen wordt vaak wel vermeld waar de bruid vandaan komt.

Gemengde militaire huwelijken. (4)

De overheid in de 18e eeuw was gekant tegen gemengde huwelijken, ook van militairen. Toch was het tij langzamerhand niet meer te keren. Zo vaardigde de Staten Generaal (S.G.) op 3 juni 1750 een plakkaat uit waarbij het gemengde huwelijk in de Republiek werd geregeld. Zij constateerden tot hun leedwezen dat " meer en meer komen in te kruipen huwelijken tussen personen van de Gereformeerde en die van de Roomse godsdienst, waaruit niet alleen vele twisten en onenigheden tussen de echtgenoten, hun kinderen en huisgezinnen ontstaan, maar waardoor ook komt te gebeuren, dat enige, zo niet alle kinderen uit die huwelijken geboren, in de Roomse religie worden opgevoed, ja dat zelfs Gereformeerde echtgenoten door lastige aanhoudingen en vexatien (kwellingen) van haar Roomsgezinde mans of vrouwen en van hun aanhang worden verleid, om tot openbare ergernis, de ware Gereformeerde religie te verlaten, en zich te begeven tot de Roomse dwalingen". Door middel van de volgende bepalingen wilde de S.G. hun ingezetenen beschermen tegen de verderfelijke gevolgen van dergelijke huwelijken.

Voor het aangaan van een gemengd huwelijk moest de man tenminste 25 jaar en de vrouw 20 jaar zijn.

Trouwbeloften konden elk moment weer verbroken worden zonder dat de rechter het nakomen daarvan kon constringeren (afdwingen). De drie huwelijksproclamaties werden niet van week tot week afgekondigd, maar met tussenpozen van zes weken. Dan hadden de partijen meer tijd om van hun dwaling terug te keren. Huwelijksgeboden werden pas na verloop van een jaar, nadat zij de Gereformeerde of Protestantse godsdienst hadden verzaakt, en van het Roomse geloof professie gedaan hadden, gegund. Bovendien moest men het bewijs daarvan kunnen overleggen.

De SG verzocht alle magistraten, commissarissen van huwelijkszaken, kerkenraden en predikanten nauwlettend de naleving van het plakkaat te controleren. Dit op straffe van 100 zilveren ducatons boete, waarvan 1/3 deel ging naar de officier van calange (‘openbare aanklager’), 1/3 deel was voor de aanbrenger en 1/3 deel voor de armen ter plaatse. In de DTB – boeken wordt bij gemengde huwelijken van militairen verwezen naar dit plakkaat.

Hoe was het met de militaire rechtspraak gesteld? (5)

De krijgsraad was samengesteld uit officieren van het garnizoen Groningen. Zij werden bediend door de auditeur – militair, die optrad als openbaar aanklager en secretaris. De protocollen zijn bewaard gebleven vanaf 1767. Enige zaken hieruit om u een indruk te geven van de militaire rechtspraak in die dagen.

Op 8 mei 1769 veroordeelde de krijgsraad Johannes Gerhardus Scheepel, 36 jaar, geboortig van Winschoten, soldaat in het regiment Oranje Drenthe in de compagnie van luitenant-kolonel Storm de Grave tot dwangarbeid. Hij moest gedurende zijn leven met boeien aan de voeten gesloten aan de vestingwerken van de Republiek arbeiden. Waarschijnlijk was hij in eerste instantie ter dood veroordeeld, maar de Prins van Oranje verleende hem ‘gratie’. Wat had hij gedaan? Desertie en het moedwillig verlaten van ’s lands dienst.

Op 12 februari 1768 wendde Pieter van Kempen, korporaal, compagnie majoor Schenck van Schmitsbourg, 1ste bataljon Prins van Baden Durlach zich teneinde raad met een rekwest tot de krijgsraad. Daarin vermeldde hij dat hij reeds twaalf jaar bij genoemd regiment had gediend. Dat hij zijn trouwbelofte had gegeven aan Elisabeth Heersema uit Groningen. Hij had haar echter in een zwak moment bevrucht en wilde nu met haar trouwen. Genoemde majoor had hem echter geen toestemming gegeven. De krijgsraad vroeg majoor Schenck de Schmitsbourg om opheldering. Deze verweerde zich met een regimentsorder van 20 augustus 1766 waarin werd bepaald dat bij iedere compagnie niet meer dan één getrouwd sergeant en korporaal mocht dienen. En bij zijn compagnie waren reeds twee getrouwde sergeanten en een korporaal. Bovendien wilde hij tenminste een ongetrouwde onderofficier ter rekrutering in Duitsland hebben.

De krijgsraad gelast majoor Schenck de Schmitsbourg de korporaal Pieter van Kempen ‘een blijk te geven om te mogen trouwen’ met compensatie van de gemaakte kosten. Het vonnis werd op 2 maart 1768 in Den Haag bekrachtigd door Prins W. van Oranje.

Ter afsluiting van dit artikel nog een ernstig delict.

Op 15-07-1769 werd Jan Christiaan Harms, 35 jaar, soldaat in het regiment Stad en Lande in de compagnie van generaal-majoor Trip en afkomstig uit Bondijk, 22 uur gaans van Hernhausen in het Hannoverse ‘met het koord aan de galg gestraft totdat de dood erop volgt’. Tevens werd hij veroordeeld in de kosten van het proces. Wat had deze gedetineerde op zijn kerfstok? Een drietal insluipingen in huizen te Glimmen, Euvelgunne en Noorddijk samen met een jood, van wie men de naam niet kende, maar wel wist dat hij in de stad Groningen woonde. Zij stalen in de maanden maart en april kleding, voedsel en huishoudelijke artikelen. Op 26 en 27 april was Harms tot tweemaal toe uitgebroken uit de gevangenis en had van twee bleken tussen de Oosterstraat en het Kleine Poortje linnen van goede kwaliteit gestolen. Bovendien had hij schade toegebracht aan ’s lands gevangenis in de vesting.

Nadat het vonnis op 25 juli door de Prins van Oranje bekrachtigd was, kreeg hij 36 uur de tijd om zijn uiterste wil op te maken. Tevens werd aan de oudste predikant in de stad gevraagd om deze zaak in vergadering te bespreken en een Lutherse predikant te verzoeken om gedetineerde bij te staan. Het vonnis werd op 5 augustus 1769 voltrokken.

Bronmateriaal (d.w.z. de Toegangen) uit de Groninger Archieven.

  1. Toegang 1. Archief van de Staten van Stad en Lande. Inventarisnummer 1768: Staat van oorlog van het jaar 1755.
  2. Toegang 1. Idem. Inventarisnummer 749: Verbaal van de visitatie der schansen in de Westerwoldinger-land voorgevallen in de maand augustus 1730.
  3. H.L. Zwitser, Militie van den Staat, Het Staatse leger ten tijde van de Republiek (A’dam, 1991). Aangevuld met eigen onderzoek uit diverse DTB –boeken van genoemde garnizoensplaatsen.
  4. Toegang 1. Archief van de Staten van Stad en Lande. Inventarisnummer 1588: Resoluties van de Hoog Mogende Heren Staten Generaal der Verenigde Nederlandse Provincies, genomen in het jaar1730. Resolutie van 03-06-1750.
  5. Toegang 139. Krijgsgerecht en Krijgsraad (HJK). Inventarisnummer 6: ordinair protocol, protocol van gehouden krijgsraden 22-09-1767 – 06-08-1770.

Verder aanbevolen:

De Republiek 1477 – 1806 ( Jonathan I. Israel , Franeker uitgeverij van Wijnen; 2 delen 1995/1996).

 

| © Nederlandse Genealogische Vereniging | Privacy Policy | Disclaimer | Website overzicht |