Nederlandse Genealogische Vereniging
Wie op zoek gaat naar voorouders kan best wat hulp gebruiken...
Van de NGV bijvoorbeeld!

Afdeling Groningen

NGV afd. Groningen - Goud- en zilversmeden

Het gilde van de goud - en zilversmeden

Joop van Campen

Ontstaan van de gilden Oprichting van het goudsmedengilde Patroon of beschermheilige Gildebestuur
Gildebroeder Leerjongen en gezel Meesterschap Meesterproef
Gildedwang Familiebanden Einde van de gilden Bronmateriaal

 

Ontstaan der gilden.

In de middeleeuwen sloten ambachtslieden, die een gelijk of verwant ambacht uitoefenden zich aaneen tot belangengemeenschappen, broederschappen van vakgenoten, de zogenoemde gilden. In Groningen ontstaan de gilden in de 2e helft van de 14e eeuw.

De gilden streefden verschillende doelen na: economisch, godsdienstig, sociaal en politiek. Economisch was het streven erop gericht om alle gildebroeders een fatsoenlijk bestaan te verschaffen; Solidariteit en broederschap waren de normen. Men wilde geen concurrentie, daarom werden inkoop, verkoop en prijzen aan strenge regels gebonden. Overtredingen werden beboet. Vreemdelingen werden geweerd en men probeerde een monopoliepositie te handhaven met voorschriften en boetes. De gildedwang. De consument werd beschermd door hoge kwaliteitseisen. Godsdienstig: Voor de reformatie ging men iedere dag voor aanvang van de arbeid naar de heilige mis. Ieder gilde had zijn eigen beschermpatroon en een altaar in de kerk. Men nam deel aan kerkelijke processies en de heiliging van zon- en feestdagen werd strikt nageleefd. Sociaal: Armen en zieken zowel binnen als buiten het gilde werden ondersteund. Politiek: In het begin van de 16e eeuw waren er 18 ambachtsgilden. Uit hun midden werden twee bouwmeesters gekozen, die zitting hadden in het stadsbestuur en politieke invloed hadden op besluiten van de stadsbestuur, de verkiezingen, benoeming van stadsambtenaren en het beheer van de stedelijke financiën.

In 1436 werd door het stadsbestuur een algemene gildebrief uitgevaardigd, met het doel enige ordening aan te brengen en tevens de politieke bevoegdheden van de gilden te regelen.

Oprichting van het goudsmedengilde in 1512.

Er heerste onvrede bij de goud – en zilversmeden. Zij klaagden dat de bouwmeesters hen overlast aandeden. Zo ging men in onderhandeling met het stadsbestuur.

Op zaterdag voor Judica (de vijfde zondag voor Pasen; 27 maart) verleenden Burgemeesteren en Raad aan ‘den ampte offte ghylde der gholtsmede’ een voorschrift in de vorm van een ‘openen breve’. Deze verordening werd een maand later door graaf Edzard van Oostfriesland, heer van Groningen, te Aurich met zijn grafelijk zegel bekrachtigd, en ‘des dinxedaghes voer elven dusent magheden dach’ (19 oktober) werd d.m.v. de ‘gholtsmede sceyde breef ’ de band met het smedengilde definitief verbroken. Wel bleef men gezamenlijk het onderhoud van het altaar van Sint Eloy, de beschermheilige van alle smeden verzorgen.

Toch was er een wezenlijk verschil tussen het goudsmedengilde en alle andere gilden ontstaan. Het goudsmedengilde werd niet langer samen met de overige gilden door de bouwmeesters in de stadsregering vertegenwoordigd. Het werd het eerste raadsgilde onderworpen aan het gezag van Burgemeesters en Raad en kond geen invloed meer uitoefenen op de regering van de stad.

De patroon of beschermheilige van het (goud)smedengilde.

De belangrijkste datum in het gildejaar was de naamdag van St. Eligius of St. Eloy, die in Groningen en Emden op Midzomer (25 juni) werd gevierd. Alle andere Nederlandse goudsmedengilden vierden hun ‘loey’ op St. Eligius (1 december). Op 24 juni werd de eigenlijke overdracht van de administratie en de plechtigheid van de broederschap gevierd.

Men ging gezamenlijk onder klokgelui, orgelspel, blaasmuziek en gezang van koorknapen naar de vroegmis. Bij binnenkomst moest men iets in de offerbus storten. Bleef men zonder toestemming weg dat werd een boete van ‘een olde grote’ opgelegd. Na de eredienst moesten zij zich verenigen in een ‘ene vruntlycke vergaderinge ende gezelschap’ in het refectorium (eetzaal) van het Jacobijnerklooster. Jaarlijks werd bij de ambtsoverdracht een maaltijd gehouden waar goed geschranst werd. Zo was er rundvlees, witbrood, kaas, kuikens, verse en gerookte schincke, verse vis, banket (nagerecht van suikergebak) en veel gildebier.

Gildebestuur.

In het begin stonden er twee hovelingen aan het hoofd van het gilde. In de 16e eeuw krijgt een van de hovelingen de naam olderman. De opvolging is vaak zo dat de hoveling van het ene jaar het volgende jaar olderman wordt. Zij leidden vergaderingen en bijeenkomsten, deden voorstellen aan het stadsbestuur, regelden de controle op het gehalte goud – en zilver, namen de meesterproef af, beheerden de gildekist (kostbare documenten en geld), beheerden de ziekte – en begrafenisfondsen, de bussen, bossen of beurzen genoemd.

De jongste gildebroeder was bode van het gilde. Hij bracht de mededelingen van de olderman bij allen over, verzorgde de convocaties, ging bij alle gildebroeders, uitmijnders, tafelhouders en kleerkopers langs als er goud of zilver werd vermist of was gestolen ‘om te dagen’, deed mededeling van het overlijden van gildebroeders of naaste familie, zorgde tevens voor het lijklaken en de doodsbaar van het gilde bij de begrafenis

Hoe werd men gildebroeder?

Je moest het burgerrecht van de stad bezitten. Als je burger was, kon je het gilde ‘winnen’. Daarvoor moest men vier ‘olde fransche schilden’ en voor de reformatie 2 pond was voor de ‘kerse’ op het altaar betalen. Tevens moest men van onbesproken gedrag zijn. Daarna begon een lange leertijd van leerjongen via gezel naar het meesterschap. De kans dat je uiteindelijk meester werd, was klein. Het gilde wilde het aantal bedrijven beperkt houden en het afleggen van de meesterproef was een kostbare zaak.

Hoe verliep in het algemeen de tijd als leerjongen?

De leerjongen kwam meestal bij de meester in huis en op deze rustte de verplichting zijn leerling in het ambt op te leiden (vakopleiding) en te zorgen dat hij een rustige en nuttige burger werd (scholing in de rechten en plichten als lid van de stedelijke gemeenschap en van de gildebroederschap). Hij nam deel aan het gezinsleven en godsdienstplichten. Het was de leerjongen verboden tijdens hun leerperiode binnen de stad een dolkmes bij zich te dragen en mocht niet om geld spelen. Het kopen of verkopen van goud, zilver en geld mocht niet aan hen worden opgedragen. De leerjongens mochten het huis van hun meester "buiten sines meisters orloff ende consent nergens buiten des meisters gaen", dus zonder zijn toestemming niet verlaten. De meester was mede aansprakelijk voor het nakomen van de plichten. Leertijd was niet alleen opleiding, maar tevens vorming en opvoeding.

Aan de leeftijd van de leerjongen was geen ondergrens gesteld, maar meestal was hij ongeveer 14 jaar. De leertijd van zoons van meesters bedroeg 4 jaar, zoons van burgers uit de stad Groningen moesten 5 jaar dienen, leerjongens van buiten 6 jaar. Week de meester daarvan af dan werd hij beboet met 32 daalders, waarvan de helft ten goede kwam aan de gildekas en de andere helft was bestemd voor de armen in de stad. En de leerjongen verloor zijn leerjaren en kon opnieuw beginnen. Indien één van de goudsmeden zijn leerjongen teveel vrijheid verleende, "daermede hy andere leerjongens ongehoorzaam maeckte, also dat daer klaegen over quam, die salt selve beeteren tot der gemeine gilde-broeders kenninge, m.a.w. die werd publiekelijk ter verantwoording geroepen. De leerjongen moest voor kost, inwoning en opleiding een jaargeld betalen door een contract dat met de ouders of voogden werd opgemaakt. Onder de leerjongens waren vaak hele of halve wezen die langs deze weg werden ondergebracht. Het leergeld bedroeg tenminste acht Franse schilden, waarvan de helft voor de indiensttreding aan de meester moest worden betaald. De nadere vier schilden ontving de baas wanneer drie leerjaren waren verstreken. Een leerjongen, die nog geen 18 jaar was, kon niet van meester veranderen zonder diens toestemming. Een leerjongen mocht tijdens zijn leertijd niet meer dan drie meesters hebben gehad. Iedere meester had zich op boete van 3 daalders verbonden geen ‘fremde’ jongen, d.i. de leerling van een andere baas in dienst te nemen, tenzij de jongen kon bewijzen zijn vorige meester met diens wil te hebben verlaten en de leerjaren te hebben uitgediend.

Na leerjongen werd men gezel.

Voor wie in Groningen leerjongen was geweest, was dit één jaar. Een van buiten komende gezel die elders leerjongen was geweest, moest drie jaar blijven. In theorie kon een meesterszoon dus al vóór zijn twintigste jaar meester worden. Maar in de praktijk duurde dat meestal langer. Met name in de 18e eeuw ontstond een klasse van blijvende gezellen die nooit meester werden, een beroepsproletariaat. In 1794 werd een fonds opgericht ten behoeve van zieke en behoeftige goud- en zilversmedengezellen.

Hoe verkreeg de gezel het meesterschap?

Wilde men meester worden dat moest men aan een aantal voorwaarden voldoen.

1) Aan alle opleidingsplichten hebben voldaan.

2) Men werd slechts toegelaten als men vrij man was en geen lijfeigen.

3) Het burgerschap van de stad bezitten.

4) In staat zijn, zijn zaken goed te beheren, en ‘van goede geruchte’ zijn.

5) Door het gilde toegelaten zijn tot het doen van de meesterproeven en de kosten daarvan betalen.

6) Men moest alvorens het gilde feitelijk uit te oefenen lid worden van de broederschap van Sint Eloy door betaling van twee pond voor het altaar.

7) De meesterproeven volbrengen.

De meesterproeven.

Deze bestonden in Groningen vanaf 1512 uit drie stukken: twee verschillende ’bewarpe’ (beslag voor messcheden) met gesneden beesten en geëmailleerd onder glas, en als derde een ‘ghulden gestrenghede rynck gedreit ende vergadert’, dus een gouden ring bestaande uit enige om elkaar gedraaide en aaneen gesoldeerde strengen.

De proefstukken moesten worden vervaardigd in het huis van een der hovelingen van het gilde, en na elk proefstuk moest de examinandus het gilde onthalen.

De proef voor het meesterschap werd omstreeks 1630 gewijzigd en dat bleef zo tot 1798. Er moesten twee werkstukken worden vervaardigd, nl. "een sulveren credens (een zilveren beker in de vorm van een vaas)) met figueren gedreven ende verteickent", en een gouden ring met robijn of diamant. De meesterkinderen hadden de keuze tussen een gouden ring en een zilveren beker.

De weg naar het meesterschap was lang en kostbaar.

Vooral tegen het einde van de gildetijd begonnen de gezellen die door hoge toelatingskosten meer dan door de toelatingseisen van het meesterschap weerhouden werden zich hier tegen te verzetten. De afstand tussen gezellen een meesters was geleidelijk toegenomen, en minder dan in de 17e eeuw kon een gezel zich door huwelijk met een goudsmidweduwe voor halve prijs in het gilde kopen.

Wie als meester werd toegelaten moest zich eerst nog de nodige gereedschappen aanschaffen en enige handelsvoorraad te hebben alvorens hij zelfstandig kon gaan werken. Het benodigde geld moest vaak worden geleend.

Het aantal meesters was niet vooraf bepaald, het was dus een open gilde. Rond 1512 zijn er circa 10 meesters, het aantal groeit en varieert in de 17e en 18e eeuw tussen de 18 en 24, afhankelijk van de economische toestand. De meesters in het gilde vormden een min of meer gesloten kaste.

Meesters stonden ook onder gildedwang.

De meester als zelfstandig ambachtman, kon niet doen en laten wat hij wilde.

Het stadsbestuur van Groningen had meestal op voorstel van het gildebestuur allerlei bepalingen opgesteld om tegen valsheid en bedrog te waken. Tevens wilde men de monopoliepositie van het gilde handhaven. Zo werd in de gilderol omschreven hoeveel edel metaal gouden en zilveren voorwerpen moesten bevatten. Geringe afwijkingen van het "stael" of keur werd bestraft met een zware geldboete, waarvan de opbrengst tussen de Burgemeesters en de Raad van de stad en het gilde werden gedeeld; op grotere afwijkingen stond tevens lijfstraf. Zo mochten goudsmeden na 1700 bij het wegen van goud alleen Troische gewichten gebruiken. En als men teveel soldeer op gemaakt zilver of goud liet lopen, kwam dat op een fikse boete van 10 daalders te staan. Een koopman of goudsmid, van binnen of buiten Groningen, die verguld of verzilverd werk van koper, messing of ander metaal verkocht of verruilde, liep tegen een boete van 16 daalders aan, tenzij dat overduidelijk te zien was aan de voorwerpen. Een er waren meer van dergelijke bepalingen.

Olderman en Hovelingen (bestuurders) gingen iedere maand bij hun collega’s goud- en zilversmeden op bezoek om de aanwezige werkstukken en voorwerpen te bekijken en te keuren. Het gehalte aan zilver werd onderzocht en de gewichten werden gecontroleerd. Overtredingen werden gemeld aan Burgemeesters en Raad van Groningen. Bij overtreding moest de hoveling "dat warck dat soe verargert is" in aanwezigheid van de meester, "die dat gemaket heft, in stucken slaen". De meester, die schuldig werd bevonden, werd bovendien beboet.

De gildebroeders kwamen meerdere keren per jaar in gezamenlijke vergadering bijeen. Op deze bijeenkomsten vloeide het gildebier rijkelijk. De gilderol bevatte talrijke preventieve strafbepalingen om excessen tegen te gaan. Zo werd bepaald als de een de ander honend toesprak in bewoordingen als "schalck, boeve ofte hoer ende op der gelicke manier te schelden ofte oock met warcken als met stooten ofte slaen een ander bloedig te maecken, mishandelde ofte misdede", die werd beboet met 3 daalders. Tevens moest hij de beledigde genoegdoening verschaffen, zodanig dat de hovelingen en gildebroeders daarvan kennis droegen. Leiden de "kyffwoerden"tot ernstige beschuldigingen (dief, moordenaar) of was er sprake van mishandeling dan werd de dader niet alleen beboet, maar bovendien naar stadsrecht door Burgemeesters en Raad berecht.

Familiebanden

Het gildesysteem leidde tot bevoorrechting van familieleden. Het ambacht werd binnenhuis beoefend en dit leidde vaak tot identificatie van de jongere met de oudere generatie. Daardoor koos men vaak het beroep van vader. Meesterzoons hadden bovendien een korter leertijd, waren stadsburger en konden als opvolger in vaders bedrijf komen. Het trouwen met een gildebroedersweduwe gaf financieel voordeel, en het huwelijk met een gildebroedersdochter werd in de hand gewerkt omdat de leerjongen jarenlang bij zijn meester in huis woonde. Het is dus geen wonder dat vele goudsmeden aan elkaar verwant zijn, zoals de Muntincks, de Papincks en de van Giffens. Vooral de R.K. goudsmeden, die uitgesloten waren van het gildebestuur waren bijna allemaal aan elkaar verwant.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap betekende eveneens het einde van de gilden.

De opheffing van alle gilden volgde in november 1798. Het zittende gildebestuur werd herbenoemd als provisionele commissarissen. Het monopolie ging teniet en men kon zich vrij vestigen als goud- of zilversmid. De verhouding meester knecht werd ernstig verstoord en de gezellen maakten voortaan de dienst uit. Toen de revolutie enigszins geluwd was kwam er een centrale regeling voor het keuren van goud en zilver, er werd een nieuw proefstuk ingevoerd. Dit bestond uit hamerwerk, monteren, drijven, graveren en er moest een theepot worden gemaakt ‘naar de smaak van de tijd’.

Het ambacht na de Franse tijd.

De goudsmid uit de tijd van de Republiek werkte thuis in zijn werkplaats, maakte stukken op bestelling en verkocht in zijn potkast met name zijn eigen producten. Na 1813, door de vrijere concurrentie, houdt dit op. Geen stadsgrenzen belemmerden de in- of uitvoer naar andere delen van het land. Er ontstaat een levendige handel, mechanisatie en industrialisatie van bepaalde producten (vorken en lepels) treden steeds meer op. Specialisatie neemt toe, bijvoorbeeld het vervaardigen tasbeugels, gespen e.d. De all-round meester vakman verminderde in aantal. Daarentegen nemen het aantal reparateurs toe.

Groningen als zelfstandig centrum van goud- en zilversmidskunst hield op te bestaan.


Bronmateriaal in de Groninger Archieven.

Toegang 1325. (kast 14)

Overzicht van stukken betreffende de Gilden.

I . Archivalia van de Stad Groningen, betreffende de gilden.

Inventarisnummer 5.

Registers van de Gilderollen van de 12 nieuwe of Raadsgilden 1424-1805.
Opgemaakt in 1792-1793 ten behoeve van het stadsbestuur. Er zijn 3 delen.

Het 2e Raadsgilde was het goud- en zilversmedengilde. Het begint met een extract uit 19-06-1750 uit het resolutieboek van de stad Groningen. Het bevat de tekst van 35 artikelen van de gilderol van 1630 met de index. Verder alle resoluties van inventarisnummer 86. Het geheel is duidelijk geschreven en een feitelijke weergave van inventarisnummers 85 en 86.

Lange lijsten met namen van gildeleden (pagina 10-122), de meeste namen behoren echter tot het Brouwersgilde.

Inhoudsopgave: XIX. Goudsmeden.

a). Algemeen.

Inventarisnummer 85.

Gilderol, register van reglementen 1512-1565. 1 deel

In dit hele kleine boekje in oud schrift vinden we de 1e gilderol van de goudsmeden uit 1512.

Verder een stadssententie (stadsvonnis) van 1521 omtrent Valentini en als laatste een stadsresolutie uit 1565. Geen namen, maar wel bepalingen.

Inventarisnummer: 86.

Gilderol, register van reglementen 1630-1750. 1 deel (achterin tafel).

De gilderol bevat 35 artikelen en een aantal extracten uit het resolutieboek van de stad Groningen. Het zijn 24 extracten, waarvan de eerste begint op 11-04-1657 en de laatste eindigt op 15-12-1733. Weinig namen, maar veel bepalingen.

Inventarisnummer: 87.

Reglement op het fonds ter ondersteuning van goud- en zilversmedengezellen. Tevens bevat het een lijst van deelnamers en enkele resoluties (1794-1797).

Het reglement bevat 22 artikelen en is op 12-02-1794 onderschreven door 42 gezellen. De namen worden vermeld. Een dag later keuren Burgemeesters en Raad van Groningen het reglement goed.

b). Financiën.

Inventarisnummer 88.

Rekening met verklaringen van raadsgecommitteerden over afgehoorde rekeningen.

1713-1745. 1 deel.

c). Verdere administratie.

Inventarisnummer 89.

Stukken betreffende het goudsmedengilde 1317-1782. Met 19e eeuwse tafel. 1 deel

Inventarisnummer 90.

Stukken betreffende het goudsmedengilde 1554-1806. Met 19e eeuwse tafel. 1 deel.

Hierin enkele lidmaatschapslijsten.

Inventarisnummer 91.

Akte waarbij Burgemeesters en Raad van Groningen, Herman van Monster aanbevelen in de bescherming van het goudsmedengilde van Keulen, 1427. 1 charter

Bibliotheek Groninger Archieven:

Leerjongens en gezellen van het goudsmeden gilde te Groningen 1554 – 1798.

W.A. Hofman, Groningen 1970; pagina 57. Signatuur: H/0005. Toegangsnr. 1770.

Voorbeeld: Rijk Lollema, leerjongen van vaandrig van Giffen 31-5-1774. Ryk, gedoopt Groningen 5-1-1763, zoon van Petrus Lollema en Grietje Douwes. Huwelijk ouders:

Petrus Lollema, oud predikant te Constantinopolen, van Groningen, proclamatie 19-8-1760, gehuwd met attestatie, met Grietje Douwes Bronsema, van Groningen. Petrus Lollema was later lakwerker. Grietje Douwes Bronsema hertrouwde; proclamatie Groningen 6-12, huwelijk 24-12-1766 met Hindrik Lofvers, van Groningen. Proclamatie van Rijk tot 1811 niet gevonden.

In dit inventarisnummer zijn fragmentgenealogieën van 567 leerjongens en gezellen bijeengebracht. Een analyse op verschillende aspecten van 159 leerjongens en gezellen uit de 18e eeuw levert het volgende beeld op. De gemiddelde leeftijd van de leerjongens is 13,2 jaar. De jongste leerjongen was 7, de oudste 21. Geboren: 91 % (145) in de stad Groningen, 3% elders in de provincie en 6% is geboren buiten de provincie, enkelen daarvan in Oost-Friesland. Godsdienst: 64 % (101) Nederduits Gereformeerd (= NH), 33% is RK en 3 % Luthers. In 16% van de gevallen werd een familierelatie met andere goud- en zilversmeden gevonden. Burgerlijke Stand: 57 % (91) was gehuwd en van 43 % is het meestal onbekend; soms ongehuwd. Van de leerjongen werd 28% gezel. Slechts enkelen werden meester, nagenoeg altijd buiten de stad Groningen.

Het gilde der goud – en zilversmeden te Groningen.

Groninger Volksalmanak 1895, pagina 75 t/m 99. J.A. Feith.

Het oude zilverkeurmerk van Appingedam (met naamlijst zilversmeden).

Groninger Volksalmanak 1959, pagina 34 t/m 40. H.B. Vos.

Damster goud – en zilversmeden.

A. Hoft , P. Schepel. Signatuur F 6943.

Met vele afbeeldingen en fragment genealogieën. Keurmerken en beschrijving van het gilde.

Groninger Zilver. Tentoonstellingcatalogus 1975. W.A. Hofman

Prachtige catalogus met veel afbeeldingen. Technische gegevens. Goede beschrijving van het goud- en zilversmedengilde.

Goud – en zilversmeden. K.A. Citroen.

Scheikundig handboek voor essayeurs, goud – en zilversmeden.

S. Stratingh Ez.

Studiezaal Groninger Archievenkast 11-14. Index 208.

Index op het register der Gildebroeders, leerjongens …. van het goudsmedengilde

Universiteitsbibliotheek:

Merken van Friesche goud- en zilversmeden.

Elias Voet jr.

Voorafgegaan door de Leeuwarder goud – en zilversmeden uit de 16e , 17e en 18e eeuw.

R. Visscher.

UB = Universiteitsbibliotheek-OPC systeem: 18 B 3322 ; UB ‘00A-266 Magazijn. Ter inzage.

De Groningse Gilden, G.N. de Schutter. Groningen 1967.

UB-OPC systeem: 15795. Uitleenbaar.

De Gilden in Veendam, F.J. de Zee.

Gron. Volksalmanak 1933 (pagina 147-183).

UB: Zaal der Geschiedenis.

Het zakenregister + serie almanakken bevinden zich onder nummer uges 935 L 001

(links achter in de zaal).

Het Bellingwolder gildereglement en het Koudekerkster gildeboek. B. Sijpkes.

Gron. Volksalmanak 1947 (pagina 148-162)

Willekeuren en gildeboeken van Westerwolde. H. Stoel.

Gron. Volksalmanak 1922 (pagina 32-50).


Samensteller:

Joop van Campen
Voorzitter NGV-afdeling Groningen

 

 

| © Nederlandse Genealogische Vereniging | Privacy Policy | Disclaimer | Website overzicht |