Genealogische artikelen van de NGV

Toon de volledige inhoud van het genealogisch artikel

De pauselijke Zouaven

Een genealogisch artikel van afdeling
Geplaatst op: 24 okt 2005 23:00 door Dhr. J.W.G. Netelbeek


Auteur: J. Netelbeek

Vele genealogen zullen bij hun onderzoek stuiten op jongemannen die als Zouaaf voor de paus hebben gediend. Waarom deden ze dit? Wat waren de consequenties, wanneer speelde dit en hoe liep het allemaal af? Het onderstaande artikel geeft u hier antwoord op.
De gebeurtenissen in dit artikel staan in nauwe relatie met wat er in de 19de eeuw in Italië gebeurde. Zie hiervoor het artikel “De geschiedenis van de Kerkelijke Staat”.

Frans-Belgische Tirrailleurscompagnie en de Pauselijke Zouaven
In 1860 was de kerkelijke staat in ernstig gevaar. Paus Pius IX kon echter op weinig steun van buiten rekenen. De paus begreep dat hij een sterker leger nodig had om zijn grondgebied te verdedigen.
Hij stelde de Belg Xavier de Merode als prelaat aan, die de Pauselijke legers moest reorganiseren. Reeds op 20 mei 1860 werd in Rome de eerste zogenaamde Frans-Belgische Tirailleurscompagnie opgericht onder leiding van de Franse generaal Lamoricière. Het bestond voor het overgrote deel uit Franse en Belgische vrijwilligers die gehoor hadden gegeven aan de oproepen in de katholieke pers om paus Pius IX daadwerkelijk te komen helpen.
Koning Victor Emmanuel II van Sardinië-Piemonte viel op 11 september 1860 de Pauselijke staten binnen. De Franse en de Belgische versterkingen ten spijt werd het kleine Pauselijk leger onder de Franse generaal Lamoricière zeven dagen later verslagen in Castelfidardo (bij Ancona).
Na deze nederlaag werd de tirailleurscompagnie ontbonden en vervolgens op 1 januari 1861 onder de naam "Pauselijke Zouaven" opnieuw opgericht.
Vanaf die datum opende Kerkelijke Staat ook zijn deuren voor vrijwilligers van andere nationaliteiten. De Paus richtte een oproep tot de katholieke jongeren in de wereld om hem te hulp te komen.

Werving
In Nederland kwam de werving van Zouaven omstreeks 1861 op gang. Rondreizende priesters brachten in Nederland deze pauselijke oproep rond. Die werving liep over vier bureaus, gevestigd in Amsterdam, Oudenbosch, Tilburg en Maastricht. Het enthousiasme in katholieke kring was hier nog groot, in tegenstelling tot andere landen.

In het Brabantse Oudenbosch liet pastoor Hellemons een Zouaven-opvangcentrum inrichten. Oudenbosch was in de jaren 1864-1870 het voornaamste verzamel- en vertrekpunt van de aspirant-Zouaven vanuit Nederland. Tussen 1860 en 1870 melden zich ongeveer 10.000 vrijwilligers (waaronder 3.181 Nederlanders, 2964 Fransen en 1.634 Belgen). Met ruim 3.000 man vormden Nederlanders het grootste contingent.
De meeste Zouaven werden gekeurd in Brussel en daar geregistreerd. Vervolgens trokken ze via Parijs naar Marseille, vanwaar ze per schip naar Civitavecchia, een havenplaats bij Rome, werden vervoerd. In Rome volgde een tweede, strengere keuring. Daar werden ze opnieuw ingeschreven en ontvingen ze een wapennummer, het matricule nummer.
Uit het feit dat het Zouavenmuseum in Oudenbosch over diverse brieven en bidprentjes beschikt van Zouaven wier namen niet in de inschrijfregisters van Brussel voorkomen, blijkt dat er ook Nederlanders waren, die op eigen gelegenheid naar Rome vertrokken.

Een Zouaaf mocht niet getrouwd zijn. Om Zouaaf te kunnen worden moest men uiteraard in de eerste plaats katholiek zijn en een verklaring van goed gedrag van de plaatselijke pastoor kunnen overleggen. Ordinaire avonturiers en huurlingen werden afgewezen. De Zouaaf werd gedreven door zijn geloof en door de overtuiging voor een rechtvaardige zaak te vechten. Hun strijdkreet was: "De zaak des pausen is de zaak van God!".
Toch was er voor hen nóg een belangrijke reden om dienst te nemen: Men hoopte dat indien men met roem overladen thuiskwam zijn maatschappelijke en sociale positie aanmerkelijk zou verbeteren. In de praktijk bleek echter dat bij hun terugkeer hun sociale en maatschappelijke positie nauwelijks verbeterde.


Wapenfeiten
Vanaf 1861 stroomden er uit Nederland, Frankrijk en België vrijwilligers toe en er werden successen geboekt. Overigens vochten er niet alleen Zouaven voor de paus: zij maakten ongeveer één derde deel uit van het leger, dat verder bestond uit jagers, karabiniers, gendarmes en een regiment infanterie.
Van 1861 tot 1866 was het bataljon Zouaven in de weer met het verjagen van Garibaldis troepen of met het de kop indrukken van binnenlandse onlusten.
Op 1 januari 1867 werd het bataljon een regiment en werd de leiding toevertrouwd aan de Zwitserse Kolonel Allet.
De Zouaven onderscheiden zich op 13 oktober 1867 tegen Garibaldi te Monte Libretti en twee weken later te Monte Rotanda..
De Franse legers en de Zouaven versloegen Garibaldi op 5 november 1867 te Mentona, wat de situatie zou doen stabiliseren tot in 1870.

Het einde kwam op 5 augustus 1870 toen Frankrijk, dat net de oorlog had verklaard aan Pruisen, zijn troepen, die zich sinds 1849 in de staat ophielden, terugtrok. Dit deed onmiddellijk het aantal Italiaanse aanvallen stijgen.
Toen na de val van Sedan op 1 september 1870 het Franse Tweede Keizerrijk ineenstortte, had Italië niets meer te vrezen van het Franse leger en viel op 9 september massaal de Pauselijke staten binnen.
Ondanks heldhaftige tegenstand van de Zouaven kon de val van Rome (20 september 1870) niet meer vermeden worden. In 1870 werd de Porta Pia gebombardeerd. De paus begreep dat 5000 Zouaven het niet konden opnemen tegen 60.000 tegenstanders. Om verder bloedvergieten capituleerde hij.
Op het Capitool in Rome werd een streep gehaald door de wereldlijke heerschappij van de Paus. De Kerkelijke Staat in z'n toenmalige verschijningsvorm had opgehouden te bestaan.
Op 21 september 1870 werd het Pauselijk leger ontbonden en de Zouaven werden krijgsgevangen gemaakt. Binnen een week werden zij op de trein naar huis gezet. In oktober 1870 keerden de Zouaven in hun woonplaatsen terug en werden als helden ingehaald.

Dienstneming
De diensttijd bij de pauselijke Zouaven bedroeg twee jaar. Daarna ontving hij een militair paspoort, dat gold als reisdocument om terug te keren naar Nederland. Bijtekenen kon alleen vanuit Nederland.
Wat het opleidingsniveau van de Nederlandse Zouaven betreft, het merendeel bestond uit jongens die een ambacht uitoefenden of in de landbouw werkzaam waren
Hieruit zou te concluderen zijn dat niet alleen idealisme een rol speelde, maar ook de economische omstandigheden. De eenvoudige afkomst en het feit dat slechts weinigen Frans spraken hadden tot gevolg dat maar enkele Nederlanders tot de officiersrangen doordrongen.

De Nederlandse vrijwilligers die in pauselijke dienst traden, verloren hun Nederlanderschap. Bij hun terugkeer konden zij echter binnen ca. drie maanden hun staatsburgerschap terugkrijgen. Het duurde dan een maand of drie voor koning Willem III, welwillend als hij was ten opzichte van deze naïeve idealisten, hun verzoek inwilligde.
Ook koningin Emma heeft zich nog met deze verzoeken beziggehouden. In 1947 kregen allen postuum het Nederlanderschap terug. De laatste zouaaf, Petrus Verbeek, overleed op 30 september 1946, 95 jaar oud.

Kleding
Hun schilderachtige uniform bestond uit een vest, een kort jasje en een wijde broek van grijsblauw laken, afgezet met veel dofrode tressen en chevrons, met rechts op de borst een klein pauselijk wapen van verguld koper aan een sierlijk kettinkje. Om het middel droeg men een brede rode ceintuur en om de benen beenwindsels of witte slobkousen. Lage bergschoenen en een grijze kepi, versierd met een kleine jachthoorn, completeerden het geheel.




Dit tenue had graaf Becdelièvre ontleend aan het guerrillakostuum van zijn vroegere tegenstanders in de bergen van de kolonie Algiers, de z.g. Zouaven-keurbenden(**) van de Kabylen-stammen. Hierdoor werden de tirailleurs al spoedig in de volksmond "Zouaven" genoemd. En zo zou later hun officiële naam ook worden.

** Zouaven waren Kabylse soldaten die de lijfwachten vormden van de Berbervorsten. Toen deze soldaten in 1830 in Franse dienst werden genomen, ontstond daardoor het Franse korps der Zouaven. Geleidelijk werd het korps aangevuld met steeds meer Fransen tot het uiteindelijk uit uitsluitend Fransen bestond, die de oorspronkelijke schilderachtige klederdracht van de Berbers bleven dragen. (Dit korps vocht o.a. ook in de Krim oorlog).



Bronnen

- Artikel verschenen in het kwartaalblad Westfriese Families 25e jaargang no. 1, maart 1984, pagina 24-32.
- Literatuur:
Br. Christofoor: "Uit het epos der 3000 Nederlandse Zouaven (1947)"
L.J. Rogier: "De Romeinse quaestie, in: Studia

Opmerking

Achtergrond: Nederlands Zouavenmuseum (link)
Behalve de voorwerpen beschikt het museum over een unieke documentatiecollectie over de Zouaven.
Vooral de inschrijfregisters (zowel op familienaam als op geboorteplaats).


Aantal malen gelezen: 14012
Uw reactie wordt alleen via e-mail verstuurd
Uw reactie wordt via e-mail verstuurd en op de website geplaatst.
Als u wilt reageren, dan wel eerst inloggen!

Aantal reacties: 0 (reacties alleen via e-mail worden meegeteld)