Genealogische artikelen van de NGV

Toon de volledige inhoud van het genealogisch artikel

Wie zijn woonwagenbewoners?

Een genealogisch artikel van afdeling
Geplaatst op: 14 dec 2016 13:15 door Dhr. J-W. Koten


Auteur: Dhr. J-W. Koten

Sinds jaar en dag benadrukken woonwagenbewoners dat ze anders zijn dan ‘huisbewoners’ die ze burgers noemen. Ze beroepen zich op een eigen groepscultuur, met waarden en omgangsvormen waar ze trots op zijn. De overheid heeft dat onderscheid erkend. Het minderhedenbeleid, dat rond 1980 werd ingevoerd, besteedde speciale aandacht voor woonwagenbewoners als een aparte groep.

Het is pas een eeuw geleden dat in Nederland de eerste woonwagen op de openbare weg verscheen. Aanvankelijk ging het om kleine aantallen. In de volkstelling van 1889 lezen we dat er 93 woonwagens in Nederland waren, met 326 bewoners. Nu moeten we het met schattingen doen, die variëren van 25.000 tot 30.000 woonwagenbewoners. De groep, die zich heeft ontwikkeld tot een aparte sociale categorie in de Nederlandse samenleving, is in één eeuw tijd dus aanzienlijk uitgedijd.wie zijn woonwagenbewoners?

Meestal wordt onderscheid gemaakt tussen Nederlandse woonwagenbewoners en ‘zigeuners’ (tegenwoordig veelal Roma en Sinti genoemd). De Nederlandse woonwagenbevolking kent weer een onderverdeling in: reizigers (mensen die van oudsher zouden hebben rondgetrokken), burgers (‘recente’ woonwagenbewoners die voorheen in een huis woonden) en kermisreizigers en wegenbouwers (woonwagenbewoners vanwege hun beroep).

Vooral de categorie reizigers heeft altijd veel belangstelling getrokken, omdat zij van uitheemse, rondtrekkende (voor)ouders zouden afstammen. Ook als er onder het voorgeslacht mensen waren aan te wijzen die niet altijd hadden rondgereisd voor hun beroep, was het argument dat in andere takken van de stamboom waarschijnlijk zwervers waren aan te treffen.

Als mensen reizend in hun levensonderhoud voorzien – en al helemaal als ze er in een woonwagen met het hele gezin op uittrekken – krijgen ze al snel te horen dat het zwerven hun in het bloed zit. Om die ‘zwerfdrang’ te kunnen verklaren zijn zoektochten ondernomen naar een oergroep van reizigers. Er doen bijvoorbeeld verhalen de ronde dat woonwagenbewoners afstammen van Duitse trekarbeiders, afgedankte huursoldaten uit de Tachtigjarige Oorlog, van ‘het zigeunervolk’ of van buitenlandse marskramers. Nog niet eens zo lang geleden is er zelfs een verband gelegd met Aramese nomaden van 4000 jaar voor Christus. Onnavolgbare wegen zijn bewandeld om tot de ‘afwijkende oorsprong’ van woonwagenbewoners door te dringen.wie zijn woonwagenbewoners?

Het is niet makkelijk om te achterhalen hoe de woonwagenbevolking zich werkelijk heeft ontwikkeld en wat er waar is van alle verhalen over hun ‘zwerversbloed’. Dit is alleen mogelijk door hen terug te volgen in de tijd. Er is een onderzoek geweest bij families die tussen de twee wereldoorlogen een woonwagen bewoonden in Overijssel en Den Haag. In het noordoosten van Nederland bleken ze sterk aan hun streek van herkomst gebonden. Tot diep in de 19e eeuw waren de bewoners geboren in die regio of in het nabijgelegen deel van Duitsland. Ze bleven er het grootste deel van hun leven wonen en werken.

Uit de familiegeschiedenis van Haagse woonwagenbewoners van voor de Tweede Wereldoorlog viel daarentegen op te maken dat ze pas één generatie eerder definitief de stap naar de grote stad hadden gezet. De meesten kwamen niet uit de regio Den Haag, maar uit het zuiden en het noordoosten van Nederland. Zij reisden in het voetspoor van andere plattelanders naar het westen, op zoek naar werk. Voordat ze een woonwagen gingen bewonen, leidden zij en hun voorouders meestal een sedentair (gevestigd) bestaan, als boeren en (land)arbeiders.

In hun eigen gemeenschap namen ze zelden een aparte plaats in. De ouders en grootouders van een aantal families trokken ook al rond om in hun levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld als scharenslijper of stoelenmatter. In de 20e eeuw week hun levenspatroon niet zichtbaar af van dat van de woonwagenbewoners die tussen 1900 en 1940 voor het eerst de weg op gingen. Het is juist zo opvallend, dat elk tijdperk reizigers heeft voortgebracht.

Er is dus voortdurend sprake geweest van een overgang van het sedentaire naar het ambulante (rondtrekkende) bestaan. Dat verklaart ook de verschillende achtergrond van groepen woonwagenbewoners. Velen konden bijvoorbeeld in de landbouw of de nijverheid niet meer genoeg verdienen om van te leven. Zo trok een deel van de bewoners van Loon op Zand om die reden in een woonwagen. Deze Brabantse gemeente lag in een weinig vruchtbare omgeving van bossen, woeste gronden, zandverstuivingen en landbouwgrond.

Tot de 17e eeuw was de turfontginning in de veengebieden de voornaamste bron van inkomsten. In de periode daarna sloeg de armoede toe en moesten de bewoners naar andere middelen van bestaan zoeken. De boeren wie zijn woonwagenbewoners?vulden hun inkomen uit de landbouw en veeteelt aan met wolspinnen en weven. Andere inwoners legden zich toe op het maken van matten, manden en zwavel stokken en op het fabriceren van schoenen en muilen. Die brachten ze in de wijde omtrek aan de man. Pas in het laatste kwart van de 19e eeuw trok een aantal van hen verder weg om hun producten en diensten te gelde te maken. De overgang naar een woonwagen lag toen voor de hand. Daardoor werd de band met Loon op Zand voorgoed verbroken.

In de 19e eeuw werden mensen die rondtrokken meestal reizigers en zwervers genoemd. Pas in de 20e eeuw duikt een groepsnaam op die is afgeleid van de woonvorm waarvan een deel van hen gebruik ging maken: woonwagenbewoners. De woonwagen en zijn voorlopers (de tent-, kermis- en reiswagen) hadden al in de tweede helft van de 19e eeuw hun intrede gedaan. Het aantal bewoners nam pas in de vorige eeuw explosief toe. Wie in een woonwagen ging wonen, deed dat overigens niet altijd voorgoed. Sommigen woonden er slechts één jaar in, anderen hun hele leven. Veel mensen wisselden het bewonen van een huis en een wagen verscheidene malen af. Zij die tussen de twee wereldoorlogen het langst in een woonwagen woonden, kwamen meestal uit een familie met veel ambulante beroepsbeoefenaren.

De woonwagenbevolking vormde lange tijd een vlottende groep: er kwamen steeds mensen bij, maar er vielen ook mensen af die in huizen gingen wonen. Dat veranderde in de aren zestig door ingrijpende verschuivingen in het overheidsbeleid. Het begon ermee dat alle woonwagenbewoners op een groot kamp moesten komen te staan. Deze concentratie leidde tot een sterkere groepsvorming. Die ontwikkeling werd nog versterkt door het in 1968 ingevoerde afstammingsbeginsel. Het recht om in een wagen te wonen werd beperkt tot mensen die zelf of van wie één van de ouders eerder in een wagen hadden gewoond. De woonwagenbevolking kon dus alleen nog groeien door natuurlijke aanwas en door huwelijken met burgers.

Zo veranderde het karakter van de groep definitief. De nieuwe instroom was ingedamd en door het aanwijzen van vaste standplaatsen werd de trekvrijheid ingeperkt. Voorheen stelde de wagen mensen in staat om een ambulant bestaan te leiden, maar de sterke band tussen wonen en werken werd steeds losser. Inmiddels lijkt de overheid erin geslaagd het trekken volledig aan banden te leggen. Dat wilde ze altijd al, maar lange tijd zonder succes.

Reactie van Carel Scharten
Ik ben in het najaar van 1937, dus voor de oorlog, geboren in
Monnickendam in Noord-Holland. In het begin van 1946, nog geen jaar na
de Bevrijding, verhuisden mijn ouders met hun gezin naar Rotterdam.
Van Monnickendam herinner ik me alleen globaal het oude stadje. De
nieuwbouwwijken van nu zijn mij onbekend.
In zijn eerste levensjaren verkent een kind de directe omgeving van
het ouderlijk huis. Langzaam aan wordt zijn bereik groter. Ik wandelde
vaak alleen wat rond, alles in mij opnemend. Je wist dat het oorlog
was, aan vrede had je geen herinnering. Alles was meestal heel rustig.
Op een keer wandelde ik het Zuideinde af, tot waar aan het einde links
de dijk naar Zuiderwou begint. Op de dijk stond een nutshuisje met
blinde muren. Op een keer stond iets voorbij dat huisje op de dijk een
woonwagen. Veel later zie je afbeeldingen van een woonwagen, veel
later weet je pas dat je daar toen op de dijk een woonwagen zag. De
deur aan de korte kant stond open. Iets terug en niet helemaal
zichtbaar stond een vrouw. Ze droeg een rode jurk. Ik denk dat zij mij
zag en zich stil hield. Heeft zij de Bevrijding gehaald ?

Carel Scharten, Rotterdam.


Aantal malen gelezen: 644
Uw reactie wordt alleen via e-mail verstuurd
Uw reactie wordt via e-mail verstuurd en op de website geplaatst.
Als u wilt reageren, dan wel eerst inloggen!

Aantal reacties: 0 (reacties alleen via e-mail worden meegeteld)