Genealogische artikelen van de NGV

Toon de volledige inhoud van het genealogisch artikel

JOODSE GENEALOGIE: een tweede handreiking

Een algemeen genealogisch artikel
Geplaatst op: 23 jun 2011 20:44 door Dhr. J-W. Koten


Auteur: Dhr. J-W. Koten

Na de verschijning van onze vorige bijdrage over joodse genealogie "een eerste handreiking" ontvingen we diverse positieve reacties, die ons inspireerden om aan U nog een tweede handreiking te bieden. Wij zullen in deze bijdrage vooral op enkele meer specifieke joodse tradities ingaan die voor de genealoog extra betekenis hebben zoals huwelijk, naamgeving, overlijden, kalender e.d.

Het huwelijk.
Zoals bekend werd het huwelijk pas goed wettelijk geregeld, tijdens het concilie van Trente (1563), waarvan de bepalingen vrij snel daarna binnen de katholieke gemeenschap werden geaccepteerd en tot uitvoering gebracht. Gesteld werd dat een huwelijk pas wettig was, wanneer dit in de kerk publiek werd verklaard in aanwezigheid van 3 (later 2) getuigen, met een bevestiging door de aanwezige priester. Eis was verder dat op 3 voorgaande zondagen het huwelijk werd aangekondigd (banns), zodat men eventuele bezwaren tegen dit aanstaande huwelijk kon inbrengen. In de niet Katholieke Landen bleef de zaak even wanordelijk als daarvoor. Vrij snel daarna namen veel protestante landen de regelingen van de katholieke kerk grootdeels over. In 1580 decreteerde de staten van Holland via een politieke ordinantie bijvoorbeeld, dat personen die samenwoonden als gehuwd werden beschouwd. Voorts werden regelingen getroffen voor hen die zouden gaan trouwen, waaarbij de dominee als een soort ambtenaar van de burgerlijke stand zou moeten gaan gelden. Nadien kwamen nog diverse aanvullende regelingen., In 1656 vaardigde de staten generaal het echt-regelement uit, dat aanvullende bepalingen gaf en waarin werd vastgesteld dat het katholieke huwelijk niet rechtsgeldig was en dat uitsluitend voor de dominee wettelijk kon worden getrouwd.

Joden voelden niet veel voor een christelijk kerkelijk huwelijk en zij konden naar wens voor de schepenbank trouwen. Ook hiervan moest van te voren een publieke ondertrouw bekend worden gemaakt (puiboeken). Maar er waren plaatsen waar dit laatste niet mogelijk was en men toch voor een dominee moest trouwen. In veel opzichten zaten sommige joden in een vergelijkbare situatie als de meeste katholieken. In Zuid-Limburg immers, waar delen tot de Hollandse partage (bedeling) behoorden en dus staats waren, waren katholieke verplicht eerst voor de dominee te trouwen voordat ze door de priester in de echt konden worden verbonden. De dominee noteerde de gegevens van het trouwlustige paar nauwkeuriger als de pastoor, zodat dit een belangrijke extra bron is. Het katholieke huwelijk bood geen enkele wettelijke bescherming mocht er later over huwelijkszaken geprocedeerd worden. In incidentele gevallen waarbij joden dus door de dominee geregistreerd waren betekende dus niet, dat betrokkenen ook protestant waren. Incidenteel schreef de dominee om dezelfde reden ook wel Joodse geboorten is, die dan in het doopregister werden opgenomen. Ook hiervoor geldt hetzelfde.

Toen het Franse burgerlijke wetboek hier op 1 januari 1811 executief werd verklaard mochten geen joodse religieuze huwelijksplechtigheden worden gehouden alvorens men voor de wet was getrouwd. Men hield zich aan dit voorschrift om de rabbijn niet in problemen te brengen, die ander strafbaar zou zijn (boete, gevangenisstraf). Maar niet in alle gevallen werd strikt aan deze regel gehouden, zoals in de afgelegen provincies. Daar werd nogal eens getrouwd zonder dat de autoriteiten er van op de hoogte te stellen, mede uit kostenoverwegingen. Het probleem was dan de kinderen, die uit zulke relaties kwamen en dus onwettig werden beschouwd zonder rechten. Meestal loste men dit probleem soepel op en werden de kinderen alsnog geëcht ook al was geen huwelijk voor de wet maar uitsluitend een kerkelijk huwelijk aan de orde geweest.

Na vervulling van de wettelijke verplichtingen was er ook nog een Joods trouwritueel die men choepa ook wel choppe noemt. Bij de deze trouwrituelen krijgt de bruid voor de godsdienstige echtverbintenis (erosien) een geschrift (ketoeba) waarin haar rechten zijn vastgelegd en waarin haar naam, de naam van de bruidegom en hun ouders werden gedocumenteerd. Te Amsterdam werd eertijds nog een tweede document opgesteld waarin de huwelijkse voorwaarden werden geregeld (tnaim acharoniem laatste voorwaarden). In Amsterdam werd bovendien bij de verloving, ongeveer 1 jaar voor de bruiloft, de eerste huwelijkse voorwaarden opgesteld. Deze noemde men de tnaim rishon (rishon is eerste), de eerste huwelijksvoorwaarden die dan voor het huwelijk nog konden gewijzigd. Deze akten werden getekend door gecommitteerden van iedere kant één. Deze gecommitteerden mochten geen familie zijn en zij kregen de persoonlijke verantwoordelijk toe te zien dat men zich aan de voorwaarden hield. Al deze documentatie bevat natuurlijk belangrijk genealogische gegevens, die de moeite waard is om op te sporen.

Dan is er nog een specifieke zaak, die bij de joodse traditie voor kwam en dat het zwagerhuwelijk (jibboem) en de chaliietsa. Conform Bijbelse normen moest de broer de weduwe van zijn broer trouwen zo zij wilde. Zij kon ook afstand doen van dit recht. Haar eerste kind uit deze tweede relatie zou dan de overleden echtgenoot als vader krijgen. Wilde een man van deze verplichting af, dan moest men de weduwe schadeloos stellen. Deze verplichting werd cahlietsa genoemd. Het leviraatshuwelijk (zwagerhuwelijk) is nogal omstreden geweest. Als regel kan men stellen dat dit tora gebod hier ten lande nooit strikt gehandhaafd en de chalietsa nooit zo streng is toegepast.

Bovenstaande huwelijksgegevens zijn verspreid wel te vinden in de joodse ondertrouw- en trouwregisters, Voor een deel worden deze gegevens bewaard in de archieven van joodse gemeenten. Men moet wel uitzoeken waar ze zijn opgeslagen. Verder kan men gegevens proberen te vinden in Stadsarchieven en bij het CBG. Zowel Amsterdam en Rotterdam hebben nogal wat joods materiaal in hun archieven.


Overlijden en begrafenis
Volgens de joodse traditie is snel begraven een plicht aan de overledene. Men vindt het in strijd met de piëteit als men de dode te lang boven aarde houdt. Op sabbat mag niet worden begraven evenals sommige feestdagen. Maar men streeft toch aan de wettelijk minimale verplichtingen (2 dagen) te voldoen. De graven mogen niet opzichtig zijn en liefst zo sober mogelijk. Traditie is ook dat de graven eeuwig zijn en niet mogen worden geroerd. Gegevens over dood en begraven kan men in de graf en begrafenisboeken vinden, wanneer men enige kennis van het Hebreeuws of het Jiddisch heeft. De documentatie is echter beperkt bij Asjkenazim. Bij Sefardische joden zijn deze begrafenis gegevens in het Portugees gesteld en er zijn bovendien meer gegevens van oudere datum. Zij kunnen in het stadsarchief o.a. van Amsterdam worden gevonden. Akevoth heeft een database van overleden joden in de 18de eeuw. Men wordt hier ook verwezen naar het joods historisch museum. Een alternatieve bron kunnen ook de impostregisters zijn, een belastingregister op begraven, later na 1806 werd de impost afgeschaft. Men kan dan pogen gegevens vinden over eventuele successiebelasting.

De geboorte van een zoon of dochter
De geboorte van een zoon of dochter is uiteraard een zeer belangrijke gebeurtenis en dat geldt zeker ook voor Joodse gezinnen. Belangrijk gegeven is daarbij natuurlijk de naamgeving en aan wie dit recht toekomt. Uiteraard zal bij de keuze van de voornaam vooral geput worden uit de Bijbelse namen zoals ook bij veel christenen het geval is. Over het recht van naamgeving bestaat discussie, volgens velen hebben beide ouders het recht om een naam te kiezen, vaak zal dat natuurlijk in gemeenschappelijk overleg worden besloten. Er zijn ook tradities dat bij het eerste kind de vader de naamgever is, bij het tweede kind de moeder, bij het derde kind weer de vader etc. Bij betwisting van de naam zal uiteraard de rabbijn kunnen bemiddelen. Net zoals in veel culturen zal men de kinderen vernoemen naar de grootouders. Sommige keuren dit af. Ook naam van de rabbijn wordt vaak bij de voornamen opgenomen. Krijgt een kind 2 namen, dan moet de roepnaam beide voornamen bevatten.

Specifiek Joods is de dag van de naamgeving. Hier is een verschil tussen jongens en meisjes. Een jongen krijgt zijn naam bij de besnijdenis (b'riet hammila) die een week na de geboorte plaats vindt tenzij de boreling ziek is. Dan wordt de besnijdenis uitgesteld. De reden dat men met de besnijdenis tenminste een week wacht is omdat dan de bloedstolling weer optimaal is. Vaak houdt de moheel, die de besnijdenis verricht aantekening in een register van de besneden jongens. Maar deze registers waren privé eigendom en veel zijn er verloren gegaan. Enkele registers die de tijd overleefd hebben kan men op diverse plaatsen vinden, zowel bij het CBG, maar ook bij de plaatselijke Joodse gemeenten. Een deel van deze registers is gedigitaliseerd en door Akevoth op internet geplaatst. Voor een deel zijn deze registers in het Hebreeuws opgesteld. Een meisje krijgt haar naam al bij de tora-lezing op de maandag, dinsdag of de sabbat na haar geboorte. Geen registratie is dus over meisjes te vinden. Dit alles verandert natuurlijk na 1811 wanneer de Burgerlijke stand verplicht wordt doorgevoerd en borelingen van beide kunne moeten worden geregistreerd.

Daarnaast heeft men bij (mannelijke) eerstgeboren nog de Pidjan Haben. Dit is een ceremonie van vrijkoping (lossing), omdat alle eerstgeborenen van mens en vee in het bijzonder aan God dienen te worden gewijd. In principe komt het er op neer dat men een vast losgeld betaald wanneer het kind 30 dagen oud is aan de nakomelingen van Aaron (Kohen). Soms wordt van deze lossing een feestelijke gebeurtenis gemaakt Personen die tot de groep Kohen of Levie behoren betalen deze pidjan haben niet. Kinderen van deze groepen behoren al tot de gods gewijden.

De joodse kalender
De joodse kalender is te complex om hier uitvoerig te bespreken. Wie joodse genealogie doet moet er echter kennis van nemen. Gelukkig dat er op internet Joods kalenders te vinden zijn waarin ook de gewone kalender gegevens zijn opgenomen. In tegenstelling tot de gewone kalender is de joodse kalender strikt lunair (zij volgt de maanstand, De eerste van de nieuwe maand begint bij nieuwe maan. Het Joodse jaar in dus 354 dagen. Zou er geen aanpassingen plaats vinden van de joodse kalender dan zoude de zonnekalender en de maankalender niet meer sporen, omdat nieuwjaarsdag iedere dag 11 dagen eerder gaat vallen op onze kalender. Op gezette tijden wordt een schrikkelmaand ingevoerd, globaal om de 3 jaar, volgens een 19jarige cyclus. De laatste maand van het jaar heet Adar. Wanneer een schrikkeljaar wordt ingevoerd noemt men die de tweede Adar, deze tweede adar volgt onmiddellijk naar de eerste Adar. Bedenk verder dat het jaar begint bij 1 Nissan, dit is de eerste maand van de lente. Dan verspringt het jaar. Er is nog een tweede nieuw jaar en dat is het "kerkelijke nieuwjaar" dat Rosj Hasjana (letterlijk rosj=eerste hasjana = jaar) wanneer men elkaar gelukkig nieuwjaar wenst. Deze nieuwjaar valt in September/Oktober.
De joodse jaartelling begint bij de schepping, we hebben momenteel het jaar 5771. Het is niet ongebruikelijk het milenniumcijfer weg te laten omdat dit algemeen bekend wordt geacht. De jaaraangave wordt dan dus 771.

Bekende Joodse feesten (GAG) zijn
Pesach = Pasen (voorjaar) herdenking bevrijding uit Egypte
Shavoe'oth (= zevenwekenfeest) = Pinksteren, herdenkinh verkrijging van de wet op de Sinai
Soekot (loofhutten feest), herinnering aan de tocht door de woestijn, Nadien nog Selmach Tora (vreugde der wet), wanneer de tora rollen feestelijk worden rond gedragen.


Rosj Hasjana (nieuwjaar) Is het belangrijkste feest van de Joodse kalender, men wenst elkaar voorspoed. Dit feest vindt plaats in de 7de joodse maand die in het najaar valt. Jom Kippoer (dag van de verzoening) viert men 8 dagen na Rosj Hasjana). Dit zijn dagen van inkeer en boete.

Chanoekka (het lichtjesfeest in november/december) en tenslotte Poeriem, een carnavaleque feest in het voorjaar met als verhaal het boek Esther.

Vanwege de Duitse oorsprong van joodse nederlanders, kan het tijdschrift Stammbaum zinvol zijn. Dit tijdschrift verschijnt ook in de Engelse taal en richt zich vooral op de Duitse-Joodse genealogie. Dit tijdschrift wordt door het Leo-Baeck-Intitut uitgegeven. Er zijn 31 edities van dit blad verschenen. Zie link. Dit blad is ook digitaal in te zien bij het centrum voor Joodse geschiedenis link.

Opmerking

Met dank aan Reinier Bobbe, Jan Sandberg, Uri Link, Moshe Mossel en Ben Noach

J Dasberg (1986) Siddoer Siach Jitsschak NIK Amsterdam (1986 of 5747)


Aantal malen gelezen: 3483
Uw reactie wordt alleen via e-mail verstuurd
Uw reactie wordt via e-mail verstuurd en op de website geplaatst.
Als u wilt reageren, dan wel eerst inloggen!

Aantal reacties: 0 (reacties alleen via e-mail worden meegeteld)