Nederlandse Genealogische Vereniging
Wie op zoek gaat naar voorouders kan best wat hulp gebruiken...
Van de NGV bijvoorbeeld!

Genealogische artikelen van de NGV

Bladeren door genealogische artikelen NGV (titels) - Bladeren door genealogische artikelen NGV (intros) - Bladeren door genealogische artikelen NGV (volledig) -
Archief / Zoeken

Toon de volledige inhoud van het genealogisch artikel

Het snoer van Scaliger – geen sieraad voor genealogen

Een algemeen genealogisch artikel
Geplaatst op: 02 aug 2010 11:20 door Dhr. M.W.G.A.H. Hendriks


Auteur: H. Feikema

Inleiding
Op 21 januari 2009 was het vier eeuwen geleden dat Josephus Justus Scaliger in Leiden overleed. Ter nagedachtenis was er dit voorjaar een tentoonstelling over zijn werk en organiseert de Leidse universiteit in november een tweedaags symposium. Voor zover mij bekend, werd er naar aanleiding van zijn sterfdag in ons land verder geen aandacht aan deze grote Franse humanist en geleerde besteed. Toch leek het mij nuttig hem onder uw aandacht te brengen, want hij is de grondlegger van het historische model dat wij bij ons onderzoek naar familieonderzoek gebruiken.
Dat onze kennis over het verleden op een model berust en niet op de werkelijkheid, realiseren we ons waarschijnlijk niet, laat staan dat we het weten. Het is ons nooit verteld en ook nu komt dit in het onderwijs niet aan de orde. Zelfs bij de introductie van de historische canon een aantal jaren geleden is met geen woord gesproken over de man aan wie wij het overzicht van het verleden hebben te danken, terwijl hij nota bene ruim vijftien jaar aan een van de meest gerenommeerde universiteiten in ons land was verbonden.

Al werd Scaliger een paar jaar geleden door de Amerikaanse hoogleraar Antony Grafton(1), de Einstein van de zestiende eeuw genoemd en was hij volgens zijn biograaf Bernays ''de grootmeester van de historische chronologie, die zowel astronomische als historische technieken gebruikte ter constructie van een tijdsbalk, waaraan de exemplarische gebeurtenissen uit de bijbelse en klassieke geschiedenis als kralen aan een snoer geregen moesten worden'', betekent dit nog niet dat wat hij over het verleden heeft beweerd, waar is. Als de kralen op de verkeerde plaats zitten, heeft dat niet alleen gevolgen voor het onderzoek waarmee SEM zich bezighoudt, maar het kan ook politieke en maatschappelijke consequenties hebben. Maar heeft hij ze dan verkeerd geregen? We zullen zien dat er inderdaad iets is misgegaan, want er zijn heel veel aanwijzingen dat Scaliger het niet bij het rechte eind had. Hiermee wil ik niet zeggen dat hij ons bewust heeft misleid, ik denk eerder dat hij slachtoffer was van de praktijken van zijn collega's in de Renaissance met hun ''ontdekkingen'' van de ''klassieke'' literatuur. Voordat ik daar verder op inga, laat ik u eerst met hem kennismaken om een indruk van zijn grootheid te geven.


Een korte biografie van Joseph Scaliger(2)
Hij werd in 1540 in Agen in het zuiden van Frankrijk geboren als tiende kind en derde zoon van de humanist Julius Caesar Scaliger en Andiette de Roques. Hij werd katholiek opgevoed, maar bekeerde zich in 1562 op 22-jarige leeftijd tot het protestantse geloof. Van 1590 tot 1593 werkte hij als privéleraar in Preuilly-sur-Claise, ten zuiden van Tours, bij de familie Chasteigner de la Roche-Posay. In 1591 nodigden de curatoren van de Leidse universiteit, die toen nog maar pas was opgericht (1575), hem dringend uit naar Leiden te komen om de jonge academie wereldfaam te geven. Het heeft twee jaar geduurd voordat hij na lang aandringen uiteindelijk aan hun verzoek wilde voldoen, zelfs koning Hendrik IV moest er aan te pas komen. Omdat er in Frankrijk een burgeroorlog woedde, moest er voor Scaliger een pistool worden geregeld en een duur paard om tijdens zijn reis aan vijanden te kunnen ontsnappen. In juni 1593 vertrok hij onder escorte van tweeëndertig ruiters en nog wat lakeien en knechten, en arriveerde eind van die maand in Tours. Via Dieppe en Schiedam kwam hij bijna twee maanden later op 26 augustus in Leiden aan. De hele onderneming om hem naar Leiden te halen had ruim zevenduizend gulden gekost, de prijs van twee grote panden aan het Rapenburg.
Dit bewijst wel dat Scaliger een bijzonder iemand was. Zijn opleiding had hij vooral van zijn vader gekregen, een groot geleerde, filoloog en taalkundige. Scaliger was een gigant. Niemand leerde zo snel een taal als hij. Hij beheerste het Latijn, Frans, Grieks, Arabisch, Hebreeuws, Aramees, Syrisch, Perzisch, Turks, Duits en Italiaans. In Leiden leerde hij nog Nederlands. Hij ging zich als opvolger van Justus Lipsius (1547-1606), die Leiden in 1591 had verlaten, o.a. bezighouden met klassieke geschiedenis en bracht het onderwijs in de klassieke filologie en bijbelwetenschap op een hoog peil. Verder was hij een grondlegger van de tijdrekenkunde. Scaliger werd in de zestiende eeuw als een van de grootste geleerden van zijn tijd beschouwd. Hij ontving een jaarsalaris van 1200 gulden, wat meer was dan van welke andere hoogleraar ook. Bovendien hoefde hij geen colleges te geven, waardoor hij zich volledig aan onderzoek kon wijden. Door zijn benoeming stroomden uit heel Europa geleerden en studenten naar Leiden toe om aan de academie colleges te geven en te volgen. Onder zijn leerlingen bevonden zich veelbelovende studenten zoals Daniel Heinsius (1580-1655) en Hugo Grotius (1584-1645). Scaliger is nooit meer naar Frankrijk teruggekeerd. Hij overleed op 21 januari 1609 in Leiden, waar hij met veel eerbetoon van de universiteit en de stad Leiden in de toenmalige Vrouwekerk werd begraven. Zijn grafsteen en het gedenkbord zijn in de Pieterskerk te bezichtigen. De herinnering aan hem wordt levend gehouden door het Scaliger Instituut dat in 2000 door de Faculteit Letteren en de Universiteitsbibliotheek bij het 425-jarige bestaan van de universiteit werd opgericht, met als doel het gebruik van de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek in onderzoek en onderwijs te stimuleren en faciliteren.
Over zijn visie op het verleden heeft hij twee grote wetenschappelijke werken gepubliceerd. In 1593 verscheen van zijn hand Opus Novum de Emendatione Temporum en in 1606 Thesaurus Temporum. Al snel kreeg hij hierop kritiek van Dionisius Petavius (1583-1652). Deze Franse jezuïet, theoloog en historicus legde de tekortkomingen in de chronologie van Scaliger bloot en bestreed het gebruik om hiaten in kennis op te vullen met hypotheses. In 1627 publiceerde hij zijn grote werk De Doctrina Temporum en in 1630 een vervolg hierop(3).

De parelzoekers(4)
Het historische model dat uit de werken van Scaliger en Petavius is ontstaan, met nog enkele kleine correcties in de eeuwen daarna, kreeg pas in de vorige eeuw uiteindelijk zijn definitieve vorm. Al snel nadat Scaliger zijn model van de geschiedenis had opgezet, waren er kritici. Onder hen waren zeer vooraanstaande wetenschappers. Van hen laten we er hier een aantal de revue passeren.(5)

Voor zover bekend, was De Arcilla, een hoogleraar van de Spaanse Salamanca Universiteit, de eerste die kritiek had. In zijn publicaties Programma Historicae Universalis en Divanae Florae Historicae maakte hij aannemelijk dat de geschiedenis van de Klassieke Oudheid van middeleeuwse origine was.

Dezelfde mening was de Franse jezuïet Jean Hardouin (1646-1729) toegedaan. Deze criticus was een van de meest ontwikkelde personen van zijn tijd. Hij was hoogleraar in de theologie en sinds 1683 directeur van de Franse Koninklijke Bibliotheek. Hardouin is de auteur van verschillende boeken over filologie, theologie, geschiedenis, archeologie, numismatiek, chronologie en de filosofie van de geschiedenis. Helaas bleven zijn werken voor de meeste mensen onbekend, omdat ze grotendeels in het Latijn waren geschreven. Hij maakte aannemelijk dat bijna de gehele klassieke literatuur niet eerder dan de dertiende eeuw door kloosterlingen was geschreven. Over een paar auteurs, o.a. Cicero, Horatius en Plinius de Oudere, had hij zijn twijfels. Hij beweerde zelfs dat Christus en zijn apostelen, als ze al hadden bestaan, in het Latijn preekten, en hij was ervan overtuigd dat de Griekse vertalingen van het Oude en Nieuwe Testament uit een veel latere periode dateren dan de kerk veronderstelt. Verder zijn volgens hem bijna alle antieke munten, kunstwerken, beeldhouwwerken en de documenten van de concilies vóór het Concilie van Trente (1545-1563) vervalsingen. Het zal niemand verbazen dat zijn publicaties van 1739 tot 1742 door de kerk op de lijst van verboden boeken werden geplaatst.

Een tijdgenoot van hem was Sir Isaac Newton (1642-1727). Deze eminente Engelse geleerde was niet alleen een groot fysicus, hij is o.a. de grondlegger van de klassieke mechanica, maar hij hield zich ook met theologische en historische vraagstukken bezig. Met behulp van natuurwetenschappelijke methoden toonde hij de volgende twee stellingen aan:
1 - Het systeem van historische bronnen is een vat vol tegenstrijdigheden: sommige delen leiden tot een bepaalde conclusie die door andere delen worden tegengesproken.
2 – De chronologie waarover bij de historici overeenstemming bestaat, klopt niet. Bovendien is de grote massa van historische bronnen ongeschikt voor een ondubbelzinnige reconstructie van de geschiedenis.

Zijn conclusie was dan ook dat er geen chronologie van de geschiedenis bestaat. Hij was van mening dat sommige gebeurtenissen in de Antieke Oudheid en het Oude Egypte minder lang geleden hadden plaatsgevonden dan werd aangenomen, waarbij het soms om een inkorting van vele honderden jaren gaat. Zijn werk werd behoorlijk door historici en filologen bekritiseerd. Hij werd zelfs van seniliteit beschuldigd. Het gevolg was dat zijn publicaties uit het wetenschappelijke circuit verdwenen en de historici deden alsof er niets was gebeurd.

Ruim anderhalve eeuw later kwam er weer een kritisch geluid uit Engeland. De filoloog professor Edwin Johnson (1842-1901) publiceerde in 1887 zijn eerste boek Antiqua Mater en in 1894 The Pauline Epistles, waarin hij tot de conclusie komt dat de brieven van Paulus de geest en de discussies van de reformatie weerspiegelen. Op grond hiervan stelt hij dat niet alleen de brieven en andere bijbelse geschriften, maar ook de brieven van de kerkvaders in de zestiende eeuw moeten zijn geschreven. Verder was hij van mening dat de creatie van de religieuze en overige literatuur het werk van een weloverdachte actie van verschillende groepen is geweest, welke hij de ronde tafel van de monniken noemde. Volgens hem bevonden de vervalsercentra zich in Bury Saint-Edwards in Engeland, Saint-Denis, Tours en het klooster Saint-Irénée van Lyon in Frankrijk, en Bobbio en Montecassino in Italië. Johnson treft het noodlot dat zijn ideeën niet werden opgemerkt. Pas een eeuw later raakte zijn werk in de kring van de chronologiecritici bekend.

Een tijdgenoot van hem was de Zwitserse filoloog Robert Baldauf die in 1903 het boek Der Mönch von Sankt Gallen publiceerde. Hierin schrijft hij dat de monnik Notker Balbulus uit de negende eeuw, aan wie de Gesta Caroli Magni over Karel de Grote wordt toegedicht, dezelfde is als de schrijver Ekkehard IV die in de elfde eeuw zou hebben geleefd. In 1902 verscheen van Baldauf het boek Das Altertum (Römer und Griechen); C. Metrik und Prosa in de vierdelige serie Historie und Kritik (Einige kritische Bemerkungen) (voor zover bekend zijn er maar twee delen verschenen).
Van deze criticus is weinig bekend, maar we weten dat hij docent van de universiteit in Basel is geweest en dat hij de archieven van het beroemde Zwitserse klooster in St. Gallen, vroeger een van de belangrijkste centra van de katholieke kerk, heeft bestudeerd. Ook maakte hij studie van een groot aantal zogenaamde antieke manuscripten en ontdekte dat het bij het merendeel om vrij recente vervalsingen ging. Hij constateerde parallellen tussen de “historische” boeken van het Oude Testament, de werken van de middeleeuwse romantische literatuur en de Ilias van Homerus. Dat was voor hem reden om te veronderstellen dat zowel de bijbel als de Ilias uit de middeleeuwen stammen.
Sommige middeleeuwse kronieken die aan verschillende auteurs worden toegeschreven, lijken zoveel op elkaar dat Baldauf van mening was dat ze van een en dezelfde auteur afkomstig moesten zijn, ondanks het feit dat de verschijningsdata van de werken enkele eeuwen uit elkaar liggen. Verder constateerde hij dat heel veel verzen van antieke dichters ritmisch sterke gelijkenis vertonen met die van de middeleeuwse troubadours. De uiteindelijke conclusie van Baldauf was dat de Italiaanse humanisten van de veertiende en vijftiende eeuw de auteurs van de antieke geschriften zijn geweest. De gehele geschiedenis van de Oude Grieken en Romeinen is dan ook volgens hem van humanistische origine.
Ook van het werk van Baldauf is geen notitie genomen met als gevolg dat het in de vergetelheid raakte. Pas aan het eind van de twintigste eeuw ontdekten Russische critici zijn oeuvre.

Toen Wilhelm Kammeier (1890/1900-1959) in 1926 de Preussische Akademie der Wissenschaften een brief schreef met het verzoek over zijn onderzoek een lezing te mogen houden, kreeg hij een afwijzend antwoord. Ook van deze Duitse onderzoeker van historische bronnen wilde de gevestigde orde niets weten. Dit weerhield de in het laatste decennium van de negentiende eeuw geboren (zijn geboortedatum is niet precies bekend) criticus van de Duitse geschiedenis er echter niet van om met zijn onderzoek door te gaan. Naast zijn werkzaamheden als notaris en advocaat in Hannover had hij in 1926 net zijn bijna driehonderd pagina’s tellend manuscript over geschiedvervalsing afgerond, waarin hij historische documenten waarop de middeleeuwse geschiedenis van Duitsland is gebaseerd, aan een kritisch onderzoek had onderworpen. De historici waren niet in zijn werk geïnteresseerd en een uitgever van zijn werk was niet te vinden. Pas negen jaar later lukte het en verscheen in 1935 zijn boek Die Fälschung der deutschen Geschichte. In de jaren daarna tot het begin van de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij nog de werken: Neue Beweise fűr die Fälschung der deutschen Geschichte(1936), Die historischen Welträtsel, Antwort auf meine Kritiker (1937), Rätsel Rom im Mittelalter (1937) en Die Gründung der römischen Universalgeschichte (1939). Verder schreef hij nog verhandelingen over het christendom en de geschiedvervalsing. Uiteraard werd zijn werk door de historici bekritiseerd en uiteindelijk doodgezwegen. Hem werd zelfs verweten dat hij niets van de geschiedenis had begrepen. De oorlog naderde en Kammmeier moest in dienst. Na zijn krijgsgevangenschap vestigde hij zich in Arnstadt (Thüringen, voormalig Oost-Duitsland) en vond met veel moeite een baan in het onderwijs. Zodra de omstandigheden het toelieten pakte hij zijn onderzoeksactiviteiten weer op en ging hij zich bezighouden met de documenten waarop het christendom is gebaseerd. Nadat hij zijn kritiek op deze documenten aan de historici in Oost-Duitsland had gepresenteerd, werd hij slachtoffer van onderdrukking. Hij verloor zijn baan, zijn boek werd verbeurd verklaard, zijn bezittingen werden genationaliseerd en zijn familie werd gedwongen verder in honger en armoede te leven. Dit was het laatste wat hij in een land had verwacht dat hard op weg was om een atheïstische staat te worden. In 1959 stierf hij in kommervolle omstandigheden.
Kammeier heeft een uitgebreid oeuvre nagelaten, waarvan een aantal werken in de laatste decennia in herdruk is verschenen. Hij schetst hierin een verbijsterend beeld van een door de katholieke kerk in de middeleeuwen geleide actie die tot zoveel vervalste documenten heeft geleid. Zijn onderzoek bevestigt de bevindingen van de hiervoor genoemde critici. Ook hij komt tot de conclusie dat de humanisten een belangrijke rol hebben gespeeld bij de vervalsing van de zogenaamde antieke literatuur. Een voorbeeld is het boek Germania van de Romeinse schrijver Tacitus over de Duitse geschiedenis, waarvan het manuscript volgens de overlevering is ontdekt door de humanistische schrijver uit de Renaissance Poggio Bracciolini, maar dat hij hoogstwaarschijnlijk (volgens enkele critici) zelf heeft geschreven.
Kammeier hechtte grote waarde aan de waarheid, want hij zag in de vervalsing van de geschiedenis van het Avondland een groot gevaar. Het gevaar bestaat vooral daarin dat een vervalst beeld van het verleden tot verkeerde politieke besluiten kan leiden die grote gevolgen kunnen hebben. We hoeven in dit verband alleen maar te denken aan de invloed die genoemd werk van Tacitus op de denkbeelden van Adolf Hitler en Himmler heeft gehad.(6) Wat hen in De Germanen raakte was de beroemde, omstreden passage in het vierde hoofdstuk, waarin Tacitus zich aansluit bij de opvatting dat de Germanen niet door huwelijken vermengd zijn geraakt met andere volkeren, maar een geheel eigen volk vormen, zuiver van ras en met niets te vergelijken. We weten allemaal wat dit voor de Joden in de Tweede Wereldoorlog heeft betekend, ook al wordt de holocaust door sommige geestelijken in de rooms-katholieke kerk ontkend.(7)

Het duurt geruime tijd voordat er in West-Europa weer iemand een kritisch geluid laat horen. Vanaf 1988 publiceert de bij de cultuurhistoricus Egon Friedell gepromoveerde Heribert Illig (1947) regelmatig over zijn onderzoek naar de betrouwbaarheid van de geschiedschrijving in het verleden. In 1996 verscheen het boek Das erfundene Mittelalter van zijn hand, dat in Duitsland grote opwinding veroorzaakte. Er volgden discussies op de radio en televisie over zijn these dat Karel de Grote nooit heeft bestaan. Volgens hem konden zelfs drie eeuwen van de middeleeuwen uit de geschiedenisboeken worden geschrapt; na het jaar 614 volgt 911. Zijn volgende boek was Wer hat an der Uhr gedreht?/Wie 300 Jahre Geschichte erfunden wurden, dat in 1999 verscheen. Zoals was te verwachten, was de kritiek groot. De beroepshistorici moesten niets van zijn ideeën hebben, maar andere wetenschappers stonden meer open voor zijn inzichten en gingen zich met het chronologieonderzoek bezighouden. Er ontstond als het ware een hele beweging van chronologiecritici. Talrijke artikelen en boeken zijn sindsdien bij onze oosterburen over dit onderwerp gepubliceerd door o.a. Eugen Gabowitsch (1938-2009), Gunnar Heinsohn (1943) en Uwe Topper (1940). Daarnaast werden er Geschichtssalons opgericht die lezingen organiseerden en websites ontwikkelden met heel veel informatie over het chronologieonderzoek en aanverwante onderwerpen. Nog steeds zijn deze salons actief, zoals in Berlijn waar regelmatig lezingen en andere bijeenkomsten worden gehouden.

De twijfels van de critici over de geschiedenis van de Klassieke Oudheid zullen de meeste genealogen niet erg raken, denk ik, maar de conclusie van Illig dat Karel de Grote niet heeft bestaan, komt waarschijnlijk harder aan. Dat die twijfels over de Klassieke Oudheid terecht zijn, wordt ook nog eens weer bevestigd door het onderzoek naar de ondergang van Pompeii in de laatste paar jaar.(8) En wat Illig betreft, is de enige hoop voor degenen onder ons die van hem afstammen, dat hij ongelijk heeft. Maar zou hij het mis kunnen hebben? Het antwoord op deze vraag is in Rusland gegeven, want daar werden niet alleen de conclusies van de westerse critici bevestigd, maar er werd ook overtuigend aangetoond dat het huidige historische model nodig aan vervanging toe is. Zelfs een concept van een nieuw model werd ontwikkeld. Ik beperk mij hier tot het noemen van de twee belangrijkste onderzoekers (zie voor meer informatie mijn publicaties in het tijdschrift SEMafoor van de Studiekring Eerste Millennium(9)). De eminente geleerde en encyclopedist Nikolai A. Morozov (1854-1946) was de eerste die zich in Rusland met chronologieonderzoek bezighield. Hij heeft de fundamenten gelegd onder de opzienbarende resultaten van latere onderzoekers van de universiteit in Moskou. De algemene conclusie van Anatolij T. Fomenko (1945), hoogleraar aan de faculteit wiskunde van genoemde universiteit, zegt genoeg over de betrouwbaarheid van de geschiedschrijving. Op basis van zijn onderzoeken concludeert hij, dat niets van wat historici ons over het eerste millennium en de tijd daarvoor vertellen, waar is. De in de geschiedenisboeken beschreven gebeurtenissen uit die periode moeten in de middeleeuwen en de Renaissance worden geplaatst, d.w.z. de klassieke oudheid, het Romeinse en Karolingische Rijk zijn verzinsels. Alles wat zogenaamd door de Oude Grieken en Romeinen is voortgebracht zijn producten van een veel latere tijd. Bovendien is bij de geschiedschrijving de tijdsas met vele eeuwen verlengd, waardoor er een periode, de zogenaamde donkere middeleeuwen, is ontstaan waarvan we helemaal niets weten. Kortom, de verhalen over het verleden voor het jaar 1000 na Chr. kunnen uit de geschiedenisboeken worden geschrapt. Over zijn onderzoek heeft Fomenko een zevendelige reeks boeken geschreven, waarvan de eerste vier delen inmiddels in het Engels zijn vertaald,(10) en talloze boeken over diverse chronologische onderwerpen die een totaal nieuw licht op onze geschiedenis werpen. Nog steeds verschijnen er nieuwe werken van zijn hand.

Slotopmerkingen
Tot zover het chronologieonderzoek van een aantal toonaangevende wetenschappers die allemaal via verschillende wegen tot de conclusie zijn gekomen dat heel veel kralen niet op de juiste plaats zitten en het snoer van Scaliger te lang is, d.w.z. de meeste historische gebeurtenissen hebben wel plaatsgevonden, alleen korter geleden en in een kleiner tijdsbestek. Ondanks de vele bezwaren tegen het model van Scaliger bleef alles bij het oude. En ook nu is er geen enkele beweging van het historische establishment te bespeuren. Je zou denken dat door zoveel argumenten de vakhistorici toch wel overtuigd zijn geraakt van het feit dat het beeld dat wij van het verleden hebben, niet klopt. Maar geen enkele actie van die kant, behalve dan het chronologieonderzoek doodzwijgen of belachelijk maken. Men neemt niet eens de moeite om er serieus naar te kijken. Liever dat men op de oude voet voortgaat, dan dat naar de woorden van Kammeier over de gevolgen van geschiedvervalsing wordt geluisterd. Is het eigenlijk geen schande dat de historici die aan de universiteiten en musea zijn verbonden en door de overheid worden betaald, d.w.z. met ons belastinggeld, baanbrekend onderzoek kunnen negeren? Zij wekken de indruk dat zij geen inmenging van buitenstaanders dulden die hun onderzoeken in eigen vrije tijd en op eigen kosten en risico hebben gedaan, omdat zij onderzoek hebben nagelaten dat nota bene een van de kerntaken van hun vakgebied zou moeten zijn. Immers per definitie houden historici zich bezig met het onderzoeken van het verleden, maar aan onderwijs in en onderzoek naar het verleden van de geschiedschrijving en de chronologie besteden ze nauwelijks enige aandacht. Dit is een grove nalatigheid.

Deze houding van de vakhistorici heeft voor heel veel vakgebieden consequenties. Ook de genealogen - vooral zij die Karel de Grote en andere adellijke personen(11) uit de middeleeuwen in hun kwartierstaat hebben – zijn hiervan het slachtoffer. De historici hoeven alleen nog maar de parels in de goede volgorde te rijgen die de critici voor hen hebben verzameld. Als zij er de moed voor hebben, zullen wij genealogen hen voor dit nieuwe sieraad zeer dankbaar zijn.

Ongetwijfeld zal een van uw reacties zijn dat het chronologieonderzoek niet kan kloppen omdat er zoveel archeologisch bewijsmateriaal is dat het traditionele model van de geschiedenis ondersteunt. Archeologen weten bijvoorbeeld met zekerheid te melden dat een Romeinse mijlpaal uit het jaar 145 na Chr. stamt. In een volgend artikel(12) zal worden aangetoond dat de archeologen niet alleen slachtoffer van het onjuiste traditionele historische model zijn, maar ook dateringsmethoden (C14-methode en dendrochronologie) gebruiken die aanzienlijk minder nauwkeurig zijn dan algemeen wordt aangenomen. Door verkeerde aannames kunnen de fouten meer dan duizend jaar bedragen voor het tijdvak waarin genealogen zijn geïnteresseerd. Recent onderzoek toont aan dat de archeologische dateringen van bijvoorbeeld Romeinse artefacten minstens duizend jaar jonger moeten zijn, wat geheel overeenkomst met de resultaten van de chronologieonderzoekers(13).

Dit artikel is een enigszins aangepaste versie van de publicaties in “Ons Genealogisch Erfgoed” (september - oktober 2009) en het tijdschrift van de NGV-afdeling Kempen- en Peelland (maart 2010).

versie 02-08-2010


Noten:

1. Grafton, A. T.: Joseph Scaliger/A Study in the History of Classical Scholarship (twee delen), Oxford University Press, Oxford. 1983, 1993 en Bernays, J. Joseph Justus Scaliger, Berlijn 1855
2. Otterspeer, W. (2008): Groepsportret met Dame I. Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse universiteit, 1575-1672, Bert Bakker, Amsterdam.
3 Een zeer interessante verhandeling over Scaliger en zijn werk staat in het boek van Eugen Gabowitsch dat in 2005 in Rusland is verschenen, waarvan hoofdstuk 10 geheel aan onze hoofdpersoon is gewijd.
De Duitse vertaling van dit hoofdstuk staat onder de titel Die Geschichte auf dem Prüfstand (Scaliger I, II en III) op de Duitstalige website link.
4. In plaats van het negatief klinkende woord chronologiecritici is voor een positievere benadering gekozen. Immers het gaat niet om het bekritiseren van historici, maar hun streven is juist de in de literaire historische bronnen genoemde gebeurtenissen – de kralen of parels aan het snoer van Scaliger - in de goede tijd te plaatsen.
5. Zie voor een zeer uitgebreid overzicht Gabowitsch, E. A chronological revolution made by historical analytics op de Amerikaanse website www.ihaal.com (issue 1, okt. 2007).
6. Zie de apoloog in Monaldi, R. & F. Sorti (2007): De twijfel van Salaì, De Bezige Bij Amsterdam.
7. Uitspraak in februari 2009 van de Engelse bisschop Williamson.
8. Feikema, H. 'Pompeii – een stad in de middeleeuwen', in: Frontier Magazine nov/dec Amsterdam 2008.
Tschurilow, Andreas ‘Die Besonderheiten der Wasserleitung von Domenico Fontana (Sarnokanal) und das Datum des Untergangs von Pompeji’, Dokument Nr. V140554, link (ook in het Engels).
9. Feikema, H. 'Een Russische kijk op de historie', SEMafoor 7-1, 2006, Studiekring Eerste Millennium.
Feikema, H. 'Chronologieonderzoek in Rusland', SEMafoor 7-2, 2006, Studiekring Eerste Millennium.
10. Het eerste deel staat volledig op Internet (zoeken op google books en daarna op naam van de auteur).
11. Een voor genealogen in dit verband interessant artikel is: ‘Dichtung und Wahrheit in Adelsstambäumen’ uit 2008 van Karin Wagner op de website link.
12. Feikema, H. ‘Karel de Grote en de C14-methode’, Ons Genealogisch Erfgoed, november – december, 2009.
13. Feikema, H. ‘Archeologische gaten’, SEMafoor 11-3, 2010, Studiekring Eerste Millennium.


Aantal malen gelezen: 1758
Uw reactie wordt alleen via e-mail verstuurd
Uw reactie wordt via e-mail verstuurd en op de website geplaatst.
Als u wilt reageren, dan wel eerst inloggen!

Aantal reacties: 0 (reacties alleen via e-mail worden meegeteld)

 

Zoek in de NGV site
(m.u.v. Bronnen)











RSS Agenda
RSS Nieuws
RSS Prikbord
RSS Publicaties
RSS Cursussen

Onze partners:




| © Nederlandse Genealogische Vereniging | Privacy Policy | Disclaimer | Website overzicht |